13.00 uur - Les Apaches

Ellen Valkenburg, sopraan
Maurice Lammerts van Bueren, piano

Welkom in de online concertzaal.

Deze livestream is afgelopen. 

  • toelichting
  • programma
  • liedteksten
  • musici

download hier de toelichting als pdf >

Parijs rond 1900: een groep vrienden ontmoet elkaar regelmatig om hun passie voor kunst te delen. Hoewel de meesten van hen kunstenaars zijn, voegen ook een priester en zelfs een piloot zich bij dit gezelschap. Wekelijks komen ze bijeen in het appartement van de schilder Paul Sordes op de vijfde verdieping van de Villa du Phénix aan de Rue Dulong. Daar maken ze muziek, dragen elkaar hun gedichten voor en discussiëren tot laat in de nacht over kunst. Meer dan tien jaar blijft de groep bij elkaar, totdat in 1914 de Eerste Wereldoorlog een eind maakt aan hun eendrachtige kameraadschap.

Onder anderen de componisten Maurice Ravel, Déodat de Séverac, Igor Stravinsky, Maurice Delage en Manuel de Falla, de pianist Ricardo Viñes, de dichter en schilder Tristan Klingsor en de schilder Paul Sordes maken deel uit van de groep. De vrienden adviseren elkaar, luisteren naar elkaars werk en helpen elkaar met het overschrijven van orkestpartijen. Ze hebben bewondering voor Chinese kunst, de gedichten van Mallarmé, Rimbaud en Verlaine, de schilderkunst van Cézanne en Van Gogh en de muziek van Russische componisten.

Pelléas en Mélisande
Alhoewel Debussy geen deel uitmaakt van Les Apaches, kent hij wel enkele leden van de groep. In het bijzonder pianist Ricardo Viñes, die verschillende pianowerken van Debussy in première bracht, naast werken van zijn clubgenoten Ravel, De Séverac en De Falla. De groepsleden lopen weg met Debussy’s opera Pelléas et Mélisande. Ze waren aanwezig bij alle veertien uitvoeringen van de eerste reeks voorstellingen in 1902 en probeerden anderen te overtuigen van de schoonheid en het belang van dit werk, dat bij zoveel behoudende musici voor opschudding had gezorgd. Hun passie voor deze opera kan gezien worden als de directe oorzaak voor het ontstaan van Les Apaches.

Een Parijse bende
Ze noemen zich Les Apaches, naar de beruchte, gewelddadige bendes, die de boulevards van Parijs destijds onveilig maakten. Het verhaal gaat dat de vriendengroep eens in een opgetogen, en ongetwijfeld luidruchtige, stemming door de straten zwierf na een bezoek aan het theater en daar tegen een krantenjongen opbotste, waarna de knul schreeuwde: ‘Attention Les Apaches!’ Doelend op de bende. De vrienden, die elkaar zagen als artistieke verschoppelingen, namen deze naam meteen over. Maar een officiële club werd Les Apaches nooit. Het zou een van de redenen kunnen zijn waarom de naam van de groep nooit gangbaar werd en niet werd opgenomen in de geschiedenisboeken. Het feit dat we weten van het bestaan is te danken aan brieven en documenten van de groepsleden, waarin deze benaming regelmatig voorkomt.

Clubcultuur
Ondanks hun informele status scheppen de leden van Les Apaches er genoegen in een cultuur te creëren met gewoontes die een sterke gelijkenis vertonen met die van officiële clubs en genootschappen. Zoals het fluiten van een herkenningsmelodie - het eerste thema van de Tweede Symfonie van Borodin - zodat zij elkaar makkelijk zouden kunnen vinden in de drukke foyer van de opera of om hun aanwezigheid bekend te maken, als ze aankwamen op een feest. Ook het spooklid dat ze verzonnen, Gomez de Riquet, is er een voorbeeld van. Wanneer ze zich gevangen voelden op een saai feest, ontsnapten ze met de verontschuldiging dat ze moesten vertrekken voor een afspraak met hun denkbeeldige vriend. En ze gaven elkaar bijnamen. Ravel werd ‘Rara’ en De Séverac ‘Dodo’ of ‘Docteur’. Hun brieven eindigden ze steevast met een speciale groet: ‘Apachamicalement’.

Behalve bij de opera of op feesten, ontmoeten Les Apaches elkaar in het begin in de Villa du Phénix, maar nadat hun nachtelijke bijeenkomsten daar te veel overlast veroorzaakten, moest de groep op zoek naar een nieuwe locatie om elkaar te treffen. Het was Delage die er uiteindelijk in slaagde een vrijstaand paviljoen te huren in een tuin bij Auteuil.

Verder waren ze regelmatig te gast bij de salons van letterkundige Cipa Godebski en diens vrouw Ida, een welgesteld echtpaar dat op grootse wijze veel kunstenaars onthaalde. Al in 1902 frequenteerden de eerste leden van Les Apaches hun salon.

Artistieke samenwerking
De sterke onderlinge band tussen de leden van Les Apaches bleek een vruchtbare bodem waarop kunst kon bloeien in een tijd die bol stond van verandering, en waarin kunstenaars de kans kregen nieuwe paden te betreden. Er ontstonden levenslange vriendschappen binnen de groep, zoals tussen naamgenoten Maurice Ravel en Maurice Delage. De laatste leerde zichzelf op gehoor cello en piano spelen en koos pas na zijn 20ste voor een muzikale loopbaan. Ravel, van wie Delage een van de weinige leerlingen was, moedigde hem aan te componeren en zou een van zijn beste vrienden worden. Ook hun beider voorliefde voor de cultuur uit het Verre Oosten schiep een band tussen de twee en is in hun muziek terug te horen. En het was tenslotte Ravel die Delage voorstelde aan Stravinsky tijdens een repetitie van diens ballet L’Oiseau de Feu. Tot aan de première in 1913 van Le Sacre du printemps - dat een nog groter schandaal werd dan Debussy’s Pelléas et Mélisande - kwamen Delage en Stravinsky vaak bij elkaar over de vloer.

De liederen in het recital

Déodat de Séverac studeerde compositie in Parijs bij Vincent d'Indy. Omdat hij de rust van zijn geboortestreek verkoos boven de activiteit van de metropool, keerde hij regelmatig terug naar Zuid-Frankrijk. Zijn liederen zijn verfijnd en suggestief. In À l'aube de la montagne, op een prachtig gedicht van De Séverac zelf, kunnen we zelfs de klokslagen van de metten tellen.

De artistieke samenwerking tussen de groepsleden vinden we ook in het liedoeuvre van Maurice Ravel terug. Zo komen we teksten tegen van drie andere leden van Les Apaches: de dichters Tristan Klingsor en Léon-Paul Fargue, en muziekcriticus Michel-Dimitri Calvocoressi. Klingsor, pseudoniem voor Léon Leclère, schreef de gedichten voor Ravels Shéhérazade. Een cyclus uit 1903 die karakteristiek is voor Les Apaches door de oosterse thematiek, de muzikale verwantschap met het Russisch oriëntalisme van bijvoorbeeld Rimski-Korsakov en Borodin, en door de invloed van Debussy’s Pelléas et Mélisande. Shéhérazade geniet vooral bekendheid als een werk voor zang en orkest, maar Ravel schreef ook een versie voor zang en piano. De pianoversie kreeg zijn première zelfs eerder dan de orkestversie bij een privé uitvoering in de salon van Marguerite de Saint-Marceaux, waarbij de componist zelf achter de vleugel plaatsnam.

Manuel de Falla schreef slechts drie nummers met Franse teksten, de Trois mélodies. In het tweede nummer keert een populair Apaches-thema terug. Het delicate gedicht van Chinoiserie schetst een nogal clichématig beeld van een Chinese geliefde, die ver weg is. In Séguidille is de beschrijving van een Spaanse dame weer een beetje stereotiep. De Falla weet deze teksten echter optimaal te toonzetten, wat resulteert in een pakkende, muzikale tour de force.

Maurice Delage's vurige interesse in muziek begon toen hij in de twintig was. Hij leerde cello en piano spelen op gehoor en werd als componist aangemoedigd door Ravel, die zijn goede vriend en leraar werd. Een ander Apaches-lid waar hij sterk bevriend mee was, was Stravinsky. Delage was zeer kritisch over zijn eigen werk, wat leidde tot een klein maar voortreffelijk oeuvre.

In Du livre de Monelle is het ontroerende gedicht van Marcel Schwob door Delage omgetoverd tot doorschijnende en aanhankelijke muziek. Schwob noemde zijn geliefde Louise - op haar eigen verzoek - ‘Monelle’, wat ‘mijn zij’ betekent. Al twee jaar nadat ze elkaar ontmoetten stierf Louise aan tuberculose. In liefdevolle herinnering vereeuwigde Schwob haar in Du livre de Monelle.

Rond 1900 schreef Déodat de Séverac zijn Deux mélodies nouvelles. in Chanson pour le petit cheval is de galop van het witte paardje steeds te horen en van Les hiboux kunnen we een wijze les leren: de houding van de uilen leert de wijze dat je in deze wereld tumult en beweging moet vrezen.

Siete canciones populares españolas is een cyclus van traditionele Spaanse liederen, die al snel grote populariteit heeft verworven en in allerlei vormen wordt uitgevoerd, er zijn arrangementen voor piano solo, zangstem en gitaar, piano en cello en twee versies voor orkest. Oorspronkelijk door De Falla gecomponeerd in Parijs en opgedragen aan Madame Ida Godebska - die regelmatig bijeenkomsten organiseerde voor Parijse artiesten - werd de cyclus voor het eerst in 1915 in Madrid uitgevoerd.

Alle liederen in deze cyclus komen uit verschillende regio's van Spanje en hebben hun oorspronkelijke karakter en aantrekkingskracht behouden, zonder ooit in cliché’s te vervallen. Allemaal gaan ze over de liefde en alle emoties die daarbij horen, vreugdevol én pijnlijk. Zoals het meestal gebeurt met grote componisten, gaf De Falla zijn eigen draai aan de originele liederen, waardoor ze interessanter werden.

Maurice Lammerts van Bueren

Déodat de Séverac (1872 - 1921)
À l’aube dans la montagne (De Séverac)  

Maurice Ravel (1875 - 1937)
Shéhérazade (Klingsor)
1. Asie
2. La flûte enchantée
3. L’indifférent

Manuel De Falla (1876 - 1946)
Uit: Trois mélodies (Gautier)
Chinoiserie
Séguidille

Maurice Delage (1879 - 1961)
Uit: Trois mélodies op. 2
Du livre de Monelle (Schwob)

Déodat de Séverac (1872 - 1921)Deux mélodies nouvelles
1. Chanson pour le petit cheval (Estieu)
2. Les hiboux (Baudelaire)

Manuel De Falla (1876 - 1946)
Siete canciones populares españolas (Spaanse volksliederen)
1. El paño moruno
2. Seguidilla murciana
3. Asturiana
4. Jota
5. Nana
6. Canción
7. Polo

toegift
Manuel De Falla (1876 - 1946)

Oración de las madres que tienen a sus hijos en brazos (de la O Lejárraga García)

download hier de liedteksten als pdf >

Déodat de Séverac

À l’aube dans la montagne

(Séverac)


Le long du ciel grenat, d'un grenat d'iris, et roux,
d'un roux à peine émeraudé,
les cimes s'éveillent une à une
nimbées de gaze brodée d'opales et de poussières d'or.

Quelques nuages ténus oubliés par la brise
se sont attardés aux caresses grisantes des bruyères;
Les vallées dans des voiles de lys poudrés de lilas
semblent errer autour des peupliers qui fusent à l'infini
vers le regard narquois de la lune.

Peu à peu l'horizon s'affirme en des gestes de flamme
qui planent un instant et s'essorent
vers les plaines baignées de sommeil;
et des sommets ensanglantés
un ruissellement de rubis se précipite le long des roches.

Les grives stridulent, dans les taillis,
vers les échos rieurs.
Et les voiles errants se déchirent et se fondent,
poussières d'iris, dans l'orfèvrerie des haies.

Lors, une rumeur de joie s'élève des hameaux et des villes,
et soudain triomphant, l'astre Dieu paraît!

Maurice Ravel

Shéhérazade (Klingsor)

Asie

Asie, Asie, Asie,
Vieux pays merveilleux des contes de nourrice,
Où dort la fantaisie
Comme une impératrice
En sa forêt tout emplie de mystères,
Asie,
Je voudrais m’en aller avec la goélette
Qui se berce ce soir dans le port,
Mystérieuse et solitaire,
Et qui déploie enfin ses voiles violettes
Comme un immense oiseau de nuit dans le ciel d’or.

Je voudrais m’en aller vers des îles de fleurs
En écoutant chanter la mer perverse
Sur un vieux rythme ensorceleur;
Je voudrais voir Damas et les villes de Perse
Avec les minarets légers dans l’air;
Je voudrais voir de beaux turbans de soie
Sur des visages noirs aux dents claires;
Je voudrais voir des yeux sombres d’amour
Et des prunelles brillantes de joie
En des peaux jaunes comme des oranges;
Je voudrais voir des vêtements de velours
Et des habits à longues franges;
Je voudrais voir des calumets entre des bouches
Tout entourées de barbe blanche;
Je voudrais voir d’âpres marchants aux regards louches,
Et des cadis et des vizirs
Qui du seul movement de leur doigt qui se penche
Accorde vie ou mort au gré de leur désir.

Je voudrais voir la Perse et l’Inde et puis la Chine,
Les mandarins ventrus sous les ombrelles,
Et les princesses aux mains fines
Et les lettrés qui se querellent
Sur la poésie et sur la beauté;

Je voudrais m’attarder au palais enchanté
Et comme un voyageur étranger
Contempler à loisir des paysages peints
Sur des étoffes en des cadres de sapin
Avec un personnage au milieu d’un verger;

Je voudrais voir des assassins souriant
Du bourreau qui coupe un cou d’innocent
Avec son grand sabre courbé d’Orient;
Je voudrais voir des pauvres et des reines;
Je voudrais voir des roses et du sang;
Je voudrais voir mourir d’amour ou bien de haine,
Et puis, m’en revenir plus tard
Narrer mon aventure aux curieux de rêves,
En élevant comme Sindbad
Ma vieille pipe arabe
De temps en temps entre mes lèvres
Pour interrompre avec art …

La flûte enchantée

L’ombre est douce et mon maître dort,
Coiffé d’un bonnet conique de soie,
Et son long nez jaune en sa barbe blanche.
Mais moi je suis éveillée encore
Et j’écoute au-dehors
Une chanson de flûte où s’épanche
Tour à tour la tristesse ou la joie,
Un air tour à tour langoureux ou frivole
Que mon amoureux chéri joue,
Et quand je m’approche de la croisée,
Il me semble que chaque note s’envole
De la flûte envers ma joue
Comme un mystérieux baiser.

L’indifférent

Tes yeux sont doux comme ceux d’une fille,
Jeune étranger,
Et la courbe fine
De ton beau visage de duvet ombragé
Est plus séduisante encore de ligne.

Ta lèvre chante
Sur le pas de ma porte
Une langue inconnue et charmante
Comme une musique fausse;
Entre! et que mon vin te réconforte …

Mais non, tu passes
Et de mon seuil je te vois t’éloigner
Me faisant un dernier geste avec grâce
Et la hanche légèrement ployée
Par ta demarche féminine et lasse.

Manuel De Falla

Trois Mélodies (Gautier)

Chinoiserie

Ce n’est pas vous, non, madame, que j’aime,
Ni vous non plus, Juliette, ni vous,
Ophélia, ni Béatrix, ni même
Laure la blonde, avec ses grands yeux doux.

Celle que j’aime, à present, est en Chine;
Elle demeure avec ses vieux parents,
Dans une tour de porcelain fine,
Au fleuve Jaune, où sont les cormorants.

Elle a des yeux retroussés vers les tempes,
Un pied petit à tenir dans la main,
Le teint plus clair que le cuivre des lampes,
Les ongles longs et rougis de carmin.

Par son treillis elle passe sa tête,
Que l’hirondelle, en volant, vient toucher,
Et, chaque soir, aussi bien qu’un poète,
Chante le saule et la fleur du pêcher.

Séguidille

Un jupon serré sur les hanches,
Un peigne énorme à son chignon,
Jambe nerveuse et pied mignon,
Œil de feu, teint pale et dents blanches;
            Alza! olà!
                Voilà
    La véritable Manola.

Gestes hardis, libre parole,
Sel et piment à pleine main,
Oubli parfait du lendemain,
Amour fantasque et grâce folle;
Alza! olà!
                Voilà
    La véritable Manola.

Chanter, danser aux castagnettes,
Et, dans les courses de taureaux,
Juger les coups des toreros,
Tout en fumant des cigarettes;
Alza! olà!
                Voilà
    La véritable Manola.

Maurice Delage

Trois melodies (Op. 2 nr. 3)

Du livre de Monelle
(Schwob)

Oh! Monelle, dis-je encore,
Tous les enfants pleurent
Dans la maison vide,
Et les jouets se couvrent de poussière,
Et la petite lampe s'est éteinte,
Et tous les rires qui étaient
Dans tous les coins se sont enfuis,
Et tout le monde est retourné au travail.
Mais nous te pensions ailleurs;
Nous pensions que tu jouais loin de nous
En un lieu où nous ne pouvons parvenir.
Et voici que tu dors,
Nichée comme un petit animal sauvage,
Au-dessous de la neige
Que tu aimais pour sa blancheur.

Déodat de Séverac

Deux mélodies nouvelles

Chanson pour le petit cheval

(Estieu)
 

Petit cheval, qui m'es si cher, va promptement!
Mon pauvre cœur est dévoré par l'inquiétude:
J'aime une belle qui m'attend sous la chênaie,
Si trop je tarde elle entrera dans un couvent!

Petit cheval jamais lassé, toujours ardent!
Tel un éclair, franchis fossés, franchis fondrières!
Mors écumant, mets aux rochers des étincelles!
Fais-moi revoir Celle qui pense à moi souvent!

Petit cheval, je te promets bonne provende!
Hâte-toi donc! hâte-toi donc!
Au fond du val est sa chaumière,
Et je pressens que mon retard la fait mourir!

Petit cheval, n'arrive pas jusqu'à sa porte!
Un glas lointain à mon oreille a retenti
Retournons-nous, pour fuir ce glas!
Ma mie! ma mie! ma mie est morte!

Les hiboux (Baudelaire)

Sous les ifs noirs qui les abritent,
Les hiboux se tiennent rangés,
Ainsi que des Dieux étrangers;
Dardant leur œil rouge ils méditent.

Sans remuer ils se tiendront
Jusqu’à l’heure mélancolique
Où, poussant le soleil oblique,
Les ténèbres s’établiront.

Leur attitude au sage enseigne
Qu’il faut en ce monde qu’il craigne
Le tumulte et le movement;

L’homme ivre d’une ombre qui passe
Porte toujours le châtiment
D’avoir voulu changer de place!

Manuel De Falla

Siete canciones populares españolas (Anoniem)

El paño moruno

Al paño fino, en la tienda,
Una mancha le cayó.

Por menos precio se vende,
Porque perdío su valor.
¡Ay!

Seguidilla murciana

Cualquiera que el tejado
Tenga de vidrio,
No debe tirar piedras
Al del vecino.
Arrieros semos;
¡Puede que en el camino,
Nos encontremos!

Por tu mucha inconstancia,
Yo te comparo
Con peseta que corre
De mano en mano.
Que al fin se borra,
Y creyéndola falsa
Nadie la toma!

Asturiana

Por ver se me consolaba,
Arrimeme a un pino verde.
Por verme llorar, lloraba.
Y el pino como era verde,
Por verme llorar, lloraba!

Jota

Dicen que no nos queremos,
Poque no nos ven hablar.
A tu corazón y al mío
Se lo pueden preguntar.

Ya me despido de tí,
De tu casa y tu ventana.
Y aunque no quiera tu madre,
Adíos, niña, hasta mañana.

Nana

Duérmete, niño, duerme,
Duerme, mi alma,
Duérmete, lucerito,
De la mañana.
Nanita, nana,
Duérmete, lucerito
De la mañana.

Canción

Por traidores, tus ojos,
Voy a enterrarlos.
No sabes lo que cuesta
‘Del aire’.
Niña, el mirarlos
‘Madre, a la orilla’.

Dicen que no me quieres,
Ya me has querido.
Váyase lo ganado
‘Del aire’.
Pur lo perdido,
‘Madre, a la orilla’.

Polo

¡Ay!
Guardo una pena en mi pecho
Que a nadie se la diré.

¡Malhaya el amor, malhaya
Y quien me lo dío a entender!
¡Ay!

toegift
 

Manuel De Falla

Oración de las madres que tienen a sus hijos en brazos
(de la O Lejárraga García)
 

¡Dulce Jesús, que estás dormido!
¡Por el santo pecho que te ha amamantado,
Te pido que este hijo mío no sea soldado!

Se lo llevarán, ¡y era carne mía!
Me lo matarán, ¡y era mi alegría!
Cuando esté muriendo, dirá:
"¡Madre mía!"
Y yo no sabré la hora ni el día.

Ellen Valkenburg / sopraan

Ellen Valkenburg studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Maria Acda en Sasja Hunnego en haalde in 2004 haar master. Ze volgde masterclasses bij onder andere Elly Ameling en Robert Holl en had les van onder meer Margreet Honig en Meinard Kraak. In 2012 kreeg ze het Margit Widlund Stipendium toegekend, dat is bestemd voor jonge zangeressen met een bijzondere podiumpresentatie.

Samen met pianiste Andrea Vasi won zij verscheidene prijzen, waaronder de 'Prijs van de Vrienden van het IVC’. Al enkele jaren vormt zij een duo met pianist Maurice Lammerts van Bueren. Met hem en vier andere zangeressen maakt zij deel uit van het Coco Collectief.

 

Maurice Lammerts van Bueren / piano

Pianist Maurice Lammerts van Bueren studeerde af bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam en behaalde aansluitend de aantekening kamermuziek. Hij kreeg les in liedbegeleiding van onder meer Graham Johnson en Rudolf Jansen. Voordat hij zich volledig toegelegde op liedbegeleiding, werkte hij als kamermusicus samen met vele instrumentalisten en werkte samen met zangers als Angelika Kirchschlager, Henk Neven, Robert Holl, Thomas Oliemans, Ellen Valkenburg en Lilian Farahani. Hij is ook oprichter en pianist van het Coco Collectief. Maurice is als coach verbonden aan de zangafdeling van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en gaf als gastdocent lessen en masterclasses in liedbegeleiding aan het Utrechts Conservatorium en ArtEz conservatorium.