20.15 uur - Die Nacht

Ellen Valkenburg, sopraan
Rosina Fabius, mezzosopraan
Peter Gijsbertsen, tenor
Florian Just, bariton
Maurice Lammerts van Bueren, piano

Welkom in de online concertzaal.

Deze livestream is afgelopen. 

  • toelichting
  • programma
  • liedteksten
  • musici

download hier de toelichting als pdf >

Honderd jaar geleden stierf Alfons Diepenbrock. In hem verloor Nederland een uiterst muzikale, erudiete componist, die bovendien een sterk ontwikkeld poëtisch talent bezat. De muzikale ambities van de jonge Diepenbrock werden thuis niet gestimuleerd, en daarom koos hij voor een studie klassieke letteren in Amsterdam. Hij promoveerde in 1888 op een proefschrift over Seneca, het jaar waarin ook het Concertgebouw feestelijk werd ingewijd. In dezelfde periode verschenen Herman Gorters Mei en de eerste Sonnetten van Willem Kloos. Met de pianozetting van de Academische Feestmarsch, een gelegenheidswerk voor de viering van het eerste lustrum van de Vrije Universiteit, en met de liederenbundel Drie balladen, op gedichten van Uhland, Goethe en Heine had Diepenbrock intussen al enige naam gemaakt.

In 1888 werd hij ook leraar klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium in ‘s-Hertogenbosch, waar hij aanbleef tot 1894. Later gaf hij privélessen in de klassieke talen. Componeren deed hij in zijn vrije tijd. Hij schreef bovendien essays over uiteenlopende onderwerpen, zoals muziek, schilderkunst, literatuur, filosofie, sociale geschiedenis en politiek, die werden uitgegeven in Verzamelde geschriften van Alphons Diepenbrock.

Diepenbrock was als componist autodidact, en dat betekende een lastige positie in het Nederlandse muziekleven. Daarom zocht hij steeds de samenwerking met andere musici. Onder meer met sopraan Aaltje Noordewier. Haar stem inspireerde hem tot composities van liederen voor sopraan. Ook zijn vriendschap met dirigent Willem Mengelberg was een grote stimulans. Diepenbrock woonde repetities bij van het Concertgebouworkest om meer inzicht te krijgen in de instrumentatiekunst. Materie waarin hij zich lange tijd onzeker voelde.

Ook de contacten met beeldend kunstenaars en schrijvers hebben Diepenbrock beïnvloed. In zijn oeuvre streefde hij naar een schoonheidsideaal, dat vergelijkbaar was met de bouwkunst. Zo had hij grote bewondering voor het werk van architect Pierre Cuypers. Van hem leerde Diepenbrock, dat elk detail zowel constructieve als decoratieve waarde moest hebben. Zijn Missa uit 1894 is met dit principe in het achterhoofd ‘gebouwd’. Toen Cuypers in 1897 zeventig jaar werd, schreef Diepenbrock voor hem het vijfstemmige a cappella koorwerk Caelestis urbs Jerusalem, waarin het daadwerkelijke bouwen en wijden van een kerk wordt bezongen.

Diepenbrock gebruikte als één van de eersten teksten van moderne Nederlandse dichters. Hiertoe behoorden Frederik van Eeden, Albert Verwey, Jacques Perk en Hélène Swarth. Ook was hij nauw verbonden met de Tachtigers vanwege zijn vriendschappen met de oprichters ervan. Hij schreef en aantal bijdragen voor hun tijdschrift De Nieuwe Gids. Daarnaast introduceerde Diepenbrock de poëzie van Verlaine, Baudelaire, Novalis, Brentano, Caroline von Gündenrode, Hölderlin en Nietzsche in de Nederlandse muziek.

Een belangrijk keerpunt in Diepenbrocks leven is het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Hij was dermate geschokt door de gebeurtenissen, dat hij zich daarover in zijn muziek sterk uitsprak. Dit resulteerde in een serie strijdliederen, zoals Les Poilus de l’Argonneen Le Vin de la Revanche. Diepenbrock overleed op 5 april 1921 in Amsterdam.

De liederen in het recital

Alphons Diepenbrock schreef L’invitation au voyage in slechts twee dagen tijd. Het was zijn derde compositie op teksten uit de bundel Les Fleurs du mal van Charles Baudelaire. Het regende en waaide die dagen flink in Nederland. En Diepenbrock voelde zich eigenlijk niet al te best tijdens dit herfstige zomerweer.

In het gedicht roept Baudelaire voor zijn geliefde een gelukzalige droom op: samen reizen naar een heerlijk land waar de zon door flarden mist schijnt. Baudelaire schildert een onbekommerd leven tussen geurende bloemen, rijk gedecoreerde interieurs en oriëntaalse pracht. De ondergaande zon kleurt het landschap goud, geel en rood, en in het refrein klinkt het: ‘daar is één en al schoonheid, weelde, rust en zinnelijkheid.’

De beelden die Baudelaire in de tweede en derde strofe oproept verklankt Diepenbrock in de zanglijn en de pianopartij, die de zanglijn imiteert. De pianobegeleiding heeft een gepuncteerd ritme en na de laatste noot van de zanger klinkt nog een kleine vocalise. Diepenbrock schreef aan Johanna Jongkindt, dat ‘in het fijne lied een eigenaardig soort sarcasme zit, dat niet in het originele gedicht is te vinden’. Ook noemt hij het lied erg melancholiek.

De Hongaarse mezzosopraan Ilona Durigo zong L’invitation au voyage in september 1913 tijdens een samenzijn in Laren na afloop van de matinee in het Concertgebouw. Daar had zij de solopartij uit Mahlers Derde Symfonie vertolkt. Het lied beviel haar, maar ze wilde het een halve toon hoger zingen, in gis-klein. Diepenbrock prefereerde zelf een bariton voor dit lied. Voor de alt Anke Schierbeek maakte Diepenbrock in 1916 juist een versie een halve toon lager: in fis-klein. Hij droeg het lied aan haar op en samen voerden zij het bij verschillende optredens tijdens de Eerste Wereldoorlog uit. De opbrengsten van de uitvoeringen bestemden ze voor Belgische oorlogsslachtoffers en krijgsgevangenen.

De tekst van Diepenbrocks vroege compositie La chanson du petit hypertrophique is afkomstig van de Franse dichter Jules Laforgue, die tot de symbolisten wordt gerekend, en voor wie Diepenbrock veel bewondering koesterde. Het gedicht verscheen in De Kroniek in 1895. Het gaat over een ziekelijke, dikke jongen, die door iedereen wordt bespot. Zeer snel daarna verscheen ook het lied in het tijdschrift. De erudiete Diepenbrock publiceerde in De Nieuwe Gids van 1893 een artikel over Laforgue.

De simpele begeleiding en de strofische vorm van het lied verwijzen naar een volks tafereel. Diepenbrock schreef dat het een soort luguber café chantant lied is, waarbij niet de muziek, maar juist de tekst benadrukt moest worden.

In 1907 schreef Diepenbrock zowel een piano- als een orkestbegeleiding bij Recueillement. Vrij snel daarna dirigeerde Willem Mengelberg in Parijs de orkestpremière. Pas twee jaar later klonk deze versie in Amsterdam, maar die uitvoering viel tegen, omdat bariton Jan Reder niet boven het orkest uitkwam. Diepenbrock besloot, dat het lied uitsluitend door een mezzo of alt gezongen moest worden. In 1916 werd de partituur herzien voor de alt Jacoba Repelaer van Driel, die het samen met het Residentieorkest uitvoerde in het Kurhaus.

Claude Debussy leerde Verlaines derde dichtbundel Fêtes Galantes kennen tijdens een verblijf in het huis van zijn geliefde Marie Vasnier. De bundel is geïnspireerd op werken van achttiende-eeuwse schilders als Watteau, Fragonard en Boucher. In 1867 opende het Louvre in Parijs de Lacaze zaal, waarin hun werken te bezichtigen waren. Verlaine voelde voor al deze schilders veel bewondering. De titel van zijn bundel is dan ook ontleend aan een schilderij van Watteau.

Fêtes galantes gaat over liefde in een kunstmatige wereld, en er komen bovendien Commedia dell’arte personages in voor. De poëzie van Verlaine is uiterst muzikaal en vernieuwend, vanwege de wijze, waarop de dichter gebruik maakt van het ritme van de taal.

Vasniers hoge coloratuursopraanstem inspireerde Debussy tot zijn eerste versie van Fantoches. Dit lied ademt een uitbundige hartstocht.  De twee andere liederen, En Sourdine en Clair de Lune, schreef hij later in hetzelfde jaar 1867, ook voor Marie Vasnier.

In 1891, toen zijn verhouding met Vasnier allang verbroken was, herzag Debussy de drie liederen. Het meest beviel hem uiteindelijk Fantoches. Hier bleef hij het meest trouw aan het origineel. De andere twee liederen werden min of meer geheel nieuw gecomponeerd. Debussy toont dan een veel gedurfder harmonisch palet dan tien jaar eerder. Hij combineerde modale en chromatische elementen. En Sourdine ademt een dromerige sfeer.

In 1897 zette ook Alphons Diepenbrock een tekst van Verlaine op muziek in een vocaal kwartet: Chanson d’automne.  Diepenbrock voelde zich al sinds zijn studententijd aangetrokken tot het werk van Verlaine en zou nog acht gedichten van hem toonzetten. De bundels Les poètes maudits - met gedichten van Verlaine, Corbière, Rimbaud en Mallarmé - en Poèmes saturniens - met teksten van uitsluitend Verlaine - waren een levendig gespreksonderwerp geweest in zijn Amsterdamse studentenkring. En toen Verlaine een lezing gaf in Nederland zat Diepenbrock in de zaal.

Chanson d’automne is een klein muzikaal juweel. Het duurt nog geen twee minuten, maar de troosteloze en zwaarmoedige sfeer uit Verlaines gedicht is er trefzeker in weergegeven. Diepenbrock schreef het voor het Amsterdamsch Vocaal Kwartet waarin Aaltje Noordewier, Cato Loman, Johan Rogmans en Johannes Messchaert zongen. Zij hadden ook Diepenbrocks compositie Dämmerung en het Vijftiende-eeuwsch bruyloftlied vertolkt tijdens een concerttournee langs vele Nederlandse steden. Diepenbrock was daar veelal bij aanwezig en genoot van hun uitstekende uitvoeringen.

Helaas hield het kwartet op te bestaan. Pas twintig jaar later zou Sem Dresden met zijn Madrigaal-Vereeniging Chanson d’automne weer op het programma zetten. Diepenbrock was zeer gecharmeerd van de prachtige uitvoering door deze zangers in het Concertgebouw in oktober 1916.

Tot Diepenbrocks eerste composities behoren vijf liederen op teksten van Goethe. En net als velen vóór hem was ook Diepenbrock gefascineerd door het personage Mignon uit Goethes Wilhelm Meisters Lehrjahre. De liederen Mignon en Der König in Thule ontstonden in 1886.

Goethe beschrijft in zijn roman hoe Mignons voordracht verklankt moet worden. Dit was leidend voor Diepenbrock. Goethe schrijft daarover onder meer: ‘zeer teder, naïef, maar ook plechtig, en alsof ze iets belangrijks te vertellen heeft.’ Het thema van het gedicht issehnsucht, ofwel het verlangen van Mignon naar haar vaderland Italië.

De openingswoorden ‘Kennst dus das Land’ klinken bij Diepenbrock onbegeleid. Het half-verminderd septiemakkoord bij de piano-inzet roept herinneringen op aan Tristan und Isolde van Richard Wagner, voor wie Diepenbrock veel bewondering had. De wisselende stemmingen van Mignon worden weergegeven door de afwisseling in majeur en mineur. Pas in 1905 werd het lied uitgevoerd door een professionele zangeres: Pauline de Haan.

Op 30 april 1898 vertolkte de sopraan Aaltje Noordewier in het Concertgebouw zeven liederen van Diepenbrock, waaronder Die Liebende schreibt, dat uit 1887 dateert. Met dit optreden stond Diepenbrock voor het eerst als liedcomponist in de schijnwerpers, en dat leverde hem veel aandacht op in de pers. Aaltje Noordewier was een warm pleitbezorgster van Diepenbrocks liederen.

Die Liebende schreibt is gebaseerd op een sonnet van Goethe. De transparante tussenspelen in de piano benadrukken de vorm van het sonnet, en de zetting volgt de tekst op de voet. Voor Diepenbrock was verfijning in tekstdeclamatie van veel betekenis. Van dit lied bestaan versies voor zowel alt, mezzo als sopraan. Diepenbrock overwoog ook om het lied te orkestreren met strijkers, houtblazers en een harp.

In 1890 componeerde Diepenbrock de ballade Es war ein alter König, op tekst van Heinrich Heine. Pas in 1904 werd het lied voor het eerst vertolkt door bariton Gerard Zalsman. Er zijn drie verschillende zettingen. De originele versie was in e-mineur. Voor de met hem bevriende alt Cato Loman schreef Diepenbrock een versie in es-mineur. Er bestaat ook een versie in fis, die hij schreef voor zijn vroegere leerling Johannes Hol, omdat die een artikel over ballades aan het schrijven was.

De alt Pauline de Haan zong het lied regelmatig. Na één van haar uitvoeringen in 1905 voorspelde een enthousiaste recensent van het Weekblad voor Muziek dat Diepenbrock ‘een muzikaal genie van den allereersten rang’ was, en dat hij ‘zeker later door de geheele wereld als zoodanig erkend zal worden’.  

Heine vertelt in deze ballade hoe een oude, zwaarmoedige koning een jonge vrouw tot echtgenote neemt. Een knappe page draagt de zijden sleep van de jeugdige koningin. Dan vraagt de dichter: ‘Kent u het oude liedje? Het klinkt zoet en droef tegelijk: zij moesten beiden sterven, omdat ze veel te veel van elkaar hielden.’ Er klinken stijgende en dalende kwinten, die de ballade een archaïsch karakter verlenen. De charmes van de vrouw en de page worden in grote tertsen verklankt.

Rheinlegendchen is één van de mooiste Ländler-liederen uit de Wunderhorn-verzameling van Gustav Mahler. De tussenspelen in de piano benadrukken het volksliedachtige karakter van dit eenvoudige, maar prachtige lied. Bij de première werd het zo goed ontvangen, dat het publiek om herhaling vroeg.

Wer hat dies Liedlein erdacht heeft het karakter van een perpetuum mobile. De zestienden noten verwijzen naar de tekst - ‘daar boven op de berg’ - en naar het jodelen in het alpiene landschap. Het lied heeft een ironisch karakter. In het middendeel klinkt pseudo-pathos bij de woorden ’mijn hart doet pijn’, en Mahler accentueert dat met een modulatie.

Lob des hohen Verstandes is een komisch lied, waarbij twee vogelzangers met elkaar wedijveren. We horen lastige toonladders en cadensen, piepende vogelgeluiden en ook een ezel. De komische herhalingen, en de pauzes om de kelen te schrapen, benadrukken de naïeve humor. Uiteindelijk spreekt de ezel zijn oordeel uit over de domme mensen.

De vocale kwartetten opus 112 tonen zeer verschillende kanten van Johannes Brahms. De eerste twee, Sehnsucht en Nächtens, vertolken met hun herfstige kleurenpalet en melancholieke verlangens de serieuze toon van Brahms. De andere vier kwartetten klinken luchtig en inventief. Ze doen denken aan de zigeunerliederen van opus 103. Brahms creëerde met Sehnsucht een krachtig contrapuntisch en doorwrocht lied dat over onvervulde verlangens gaat. De vier zigeunerachtige liederen klinken levendig, bezitten eenvoud en folkloristische charme. Zowel in muzikaal als emotioneel opzicht vormen ze een grote tegenstelling met de eerste twee kwartetten.

Meinacht is een sonnet van Hélène Swarth. Ze schreef het gedicht ter nagedachtenis aan de jong gestorven Jacques Perk, wiens Avondzang Alphons Diepenbrock al in 1885 op muziek had gezet. Meinacht betekende een doorbraak voor Diepenbrock. Hij was namelijk erg onzeker over zijn kwaliteiten als componist.

Het thema van Meinacht, dat over de zwoele, nachtelijke natuur ‘vol geuren van jasmijnen’ gaat, sluit aan bij eerdere liederen. Ook hier besteedt Diepenbrock weer veel aandacht aan de tekstdeclamatie en past hij het principe van woordschildering toe: we horen de imitatie van een nachtegaal in de pianopartij. Het lied werd pas na zijn dood voor het eerst uitgevoerd.

De klare dag is het tweede lied dat Diepenbrock opdroeg aan Johan Rogmans, een beroemd oratoriumzanger. Het lied is gebaseerd op een tekst van Frederik van Eeden. De kwatrijnen van het sonnet schetsen hoe een stralend, heldere dag de stormachtige nacht heeft verdreven. In de terzinen prijst Van Eeden de betoverende werking van Eudia (de goede dag), die de ‘stormen van het gemoed’ heeft gestild. De vocale partij van het lied bevat grote, stijgende sprongen. De openingswoorden klinken in twee stijgende kwarten. Ook de sext en het octaaf komen regelmatig voor. In de pianopartij valt vooral het orkestrale karakter op.

Het oeuvre van Jacques Perk werd een jaar na diens dood uitgebracht door Willem Kloos. De dichtkunst van Perk heeft veel voor Diepenbrock betekend. Hij achtte Perk hoger dan Herman Gorter en Willem Kloos, en hij was van mening dat Perks sonnetten iets universeels bezaten dat hij zelfs niet in Gorters Mei kon vinden. In 1910 schreef Diepenbrock daarover:

‘In Perk’s sonnetten had ik gezien dat de Nederlandsche taal niet alleen in plasticiteit maar ook in muzikaliteit met het Fransch en Duitsch kon wedijveren en dat men ze even goed kon componeeren en zingen als de sonnetten van Dante, Petrarca of Goethe.’

Desondanks heeft Diepenbrock slechts twee gedichten van Perk op muziek gezet: Avondzang, in 1885, en vijftien jaar later Zij sluimert. In Avondzang klinkt een intieme, dromerige sfeer. Het gaat over een vredig samenzijn met de geliefde. Die lyrische sfeer moet Diepenbrock hebben aangesproken. Er klinkt een rustige 12/8-maat, en de pianopartij bezit rijke harmonieën. Hij droeg het lied op aan Johanna Jongkindt vanwege de tekst, die een indirecte liefdesverklaring bevat.

Rond 1900 componeerde Diepenbrock slechts één lied: Zij Sluimert. Wel gingen er in die tijd twee symfonische Novalis-liederen en een Hymne voor viool en piano in première. Het thema van Zij Sluimert is vergankelijkheid.  Met gesloten ogen ligt de geliefde te rusten in het bos, onder een sprei van groene schaduwen. Er spelen gedachten door haar hoofd die haar zachtjes doen zuchten en glimlachen. Maar in die sluimering ziet de dichter plots een voorafspiegeling van de dood. De geliefde zal niet meer ontwaken, en haar ogen nooit meer opslaan.Geen zonnestraal of vogelzang zal haar kunnen wekken.

Deze morbide wending in het gedicht wordt verklankt door de transformatie van een muzikaal motief. Aanvankelijk klinkt het lieflijk bij het woord ‘oogen’. Later klinkt het dreigender, wanneer het, bij herhaling, te horen is in de bas. In brieven van Diepenbrocks echtgenote Elisabeth valt ook te lezen, hoe het motief van het leven - ‘Straks opent zij haar oogen’ - overgaat in het motief van de dood. Avondzangen Zij sluimert werden in 1903 georkestreerd.

In 1830 verscheen Goethes Chinesisch-Deutsche Jahres- und Tageszeiten, een verzameling gedichten, die motieven uit de Chinese, Duitse en Perzische poëzie combineert. In het gedicht Dämmerung verbeeldt Goethe de sfeer van de invallende schemering waarbij dat wat feitelijk dichtbij is, nu ver weg lijkt. In het zachte licht van de Avondster verkeert alles in een ongewisse sfeer. De mist vervluchtigt in de hoogte, en het stille meer weerspiegelt de diepe duisternis. Dan kondigt de maan zich aan in de oostelijke hemel. En koele rust daalt neer in het hart bij het zien van het betoverende licht en het bewegende schaduwspel van de ruisende bomen.

Dämmerung was het eerste gedicht van Goethe dat Diepenbrock op muziek zette. Het lied bezit rijke harmonieën. Het grootste deel is homofoon van opzet, maar bij de zinnen ‘Alles schwankt in’s Ungewisse, / Nebel schleichen in die Höh’; / Schwartzvertiefte Finsternisse’imiteren de stemmen elkaar, waarbij de inzet van iedere volgende stem op een dissonant plaatsvindt. Het vervluchtigen van de mist klinkt in een stijgend octaaf. En na de zin ‘Wiederspiegelnd ruht der See’ volgt een pauze van twee maten. De woorden ‘Luna’s Zauberschein’klinken in hoge ligging voor alle stemmen in Cis-groot.

Dämmerung werd tijdens de première in Delft, 1897, gezongen door het het Amsterdamsch Vocaal Kwartet. Recensenten van de belangrijkste kranten schreven hoe Diepenbrock woord en toon nauwgezet met elkaar verbond, en hoe modern de samenklanken klonken.

Jacqueline van Rooij

Met dank aan de auteurs van de Diepenbrock Catalogus en de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (KVNM).

Alphons Diepenbrock (1862 - 1921)
L’invitation au voyage (Baudelaire) - mezzosopraan
La chanson de l’hypertrophique (Laforgue) - sopraan       
Recueillement (Baudelaire) - bariton

Claude Debussy (1862 - 1918)
Fêtes galantes I (Verlaine)
En sourdine - sopraan
Fantoches - tenor
Claire de lune - bariton

Alphons Diepenbrock (1862 - 1921)
Chanson d’automne (Verlaine) - kwartet a capella
Mignon (Goethe) - mezzosopraan
Es war ein alter König (Heine) - bariton
Die Liebende schreibt (Goethe) - sopraan

Gustav Mahler (1860 - 1911)
Uit: Des Knaben Wunderhorn (Anoniem)
Rheinlegendchen - sopraan
Wer hat dies Liedlein erdacht - bariton
Lob des hohen Verstandes - mezzosopraan

Johannes Brahms (1833 - 1897)
Vocale kwartetten met pianobegeleiding opus 112
Sehnsucht, opus 112.1 (Kugler)
Himmel strahlt so helle und klar, opus 112.3 (Kugler)
Rote Rosenknospen, opus 112.4 (Kugler)
Liebe Schwalbe, kleine Schwalbe, opus 112.6 (Kugler)

Alphons Diepenbrock (1862 - 1921)
Meinacht (Swarth) - mezzosopraan
De klare dag (Van Eeden) - tenor
Avondzang (Perk) - tenor
Zij sluimert (Perk) - tenor
Dämmerung (Goethe) - kwartet a capella

download hier de liedteksten als pdf >

Alphons Diepenbrock

L'Invitation au voyage
Uit: Les fleurs du mal (Baudelaire)

Mon enfant, ma sœur,
Songe à la douceur
D'aller là-bas vivre ensemble!
Aimer à loisir,
Aimer et mourir
Au pays qui te ressemble!
Les soleils mouillés
De ces ciels brouillés
Pour mon esprit ont les charmes
Si mystérieux
De tes traîtres yeux,
Brillant à travers leurs larmes.
Là tout n'est qu'ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

Des meubles luisants,
Polis par les ans,
Décoreraient notre chambre;
Les plus rares fleurs
Mêlant leurs odeurs
Aux vagues senteurs de l'ambre,
Les riches plafonds,
Les miroirs profonds,
La splendeur orientale,
Tout y parlerait
A l'âme en secret
Sa douce langue natale.

Là tout n'est qu'ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

Vois sur ces canaux
Dormir ces vaisseaux
Dont l'humeur est vagabonde;
C'est pour assouvir
Ton moindre désir
Qu'ils viennent du bout du monde.
- Les Soleils couchants
Revêtent les champs,
Les canaux, la ville entière,
D'hyacinthe et d'or;
Le monde s'endort
Dans une chaude lumière.

Là tout n'est qu'ordre et beauté,
Luxe, calme et volupté.

Uitnodiging tot de reis

Mijn kind, mijn zuster,
Bedenk hoe zacht het zou zijn
Om samen daarginds te leven!
Liefhebben naar hartelust,
Liefhebben en sterven
In het land dat op jou lijkt!
Het natte zonlicht
Van deze mistige oorden
Heeft in mijn geest
De zó mysterieuze toverkrachten
Van jouw verraderlijke ogen,
Fonkelend door hun tranen heen.

Daar is alles slechts orde en schoonheid,
Weelde, rust en genot.

De glanzende meubels
Gepolijst door de jaren,
Zouden onze kamer sieren;
De meest zeldzame bloemen
Hun geuren vermengend
Met de vage lucht van amber,
De rijke plafonds,
De diepe spiegels,
De oosterse pracht,
Alles zou daar heimelijk tot de ziel spreken,
De zachte geboortetaal.

Daar is alles slechts orde en schoonheid,
Weelde, rust en genot.

Zie op de kanalen
Die boten slapen,
Zwerven is hun aard;
Ze komen van het eind van de wereld
Om de minste van jouw grillen te Bevredigen.
De ondergaande zon
Overtrekt de velden
De kanalen, de hele stad
Met hyacintkleur en goud;
De wereld slaapt in
Temidden van een warm licht.

Daar is alles slechts orde en schoonheid,
Weelde, rust en genot.

La Chanson de l'Hypertrophique (Laforgue)

C'est d'un' maladie de coeur
Qu'est mort', m'a dit l'docteur,
Tirlanlaire!
Ma pauv' mère;
Et que j'irai là-bas,
Fair' dodo z'avec elle.
J'entends mon coeur qui bat,
C'est maman qui m'appelle!

On rit d' moi dans les rues,
De mes min's incongrues
Laitou!
D'enfant saoul;
Ah! Dieu! C'est qu'à chaqu' pas
J'étouff', moi, je chancelle!
J'entends mon coeur qui bat,
C'est maman qui m'appelle!

Aussi j' vais par les champs,
Sangloter aux couchants,
Larirette!
C'est bien bête.
Mais le soleil, j' sais pas,
M'semble un coeur qui ruisselle!
J'entends mon coeur qui bat,
C'est maman qui m'appelle!

Ah! si la p'tite Gen'viève
Voulait d' mon coeur qui s'crève,
Piloui!
Ah, oui!
J' suis jaune et triste hélas!
Elle est ros', gaie et belle!
J'entends mon coeur qui bat,
C'est maman qui m'appelle!

Non, tout l' monde est méchant,
Hors le coeur des couchants,
Tirlanlaire!
Et ma mère,

Et j' veux aller là-bas
Fair' dodo z'avec elle.
Mon coeur bat, bat bat...
Dis, Maman, tu m'appelles?

Recueillement
Uit: Les fleurs du mal (Baudelaire)

Sois sage, ô ma Douleur, et tiens toi plus tranquille.
Tu réclamais le Soir; il descend; le voice:
Une atmosphère obscure enveloppe la ville,
Aux uns portant la paix, aux autres le souci.

Pendant que des mortels la multitude vile,
Sous le fouet du plaisir, ce bourreau sans merci,
Va cueillir des remords dans la fête servile,
Ma Douleur, donne mois la main; viens par ici,

Loin d'eux. Vois se pencher les défuntes années.
Sur les balcons du ciel, en robes surannées;
Surgir du fond des eaux le regret souriant,

Le soleil moribond s'endormir sous une arche,
Et comme un long linceul traînant à l'Orient,
Entends ma chère, entends la douche nuit qui marche.

Bespiegeling

Kalmeer, o smart, want de avond valt.
Blijf ver weg van de feestvierende menigte.
Denk liever met heimwee aan de voorbije jaren
en hoor hoe de nacht nadert.

Claude Debussy

Fêtes Galantes I (Verlaine)

1. En sourdine.

Calmes dans le demi‑jour
Que les branches hautes font,
Pénétrons bien notre amour
De ce silence profond.

Fondons nos âmes, nos cœurs
Et nos sens extasiés,
Parmi les vagues langueurs
Des pins et des arbousiers.

Ferme tes yeux à demi,
Croise tes bras sur ton sein,
Et de ton cœur endormi
Chasse à jamais tout dessein.

Laissons‑nous persuader
Au souffle berceur et doux
Qui vient à tes pieds rider
les ondes de gazon roux.

Et quand, solennel, le soir,
Des chênes noirs tombera,
Voix de notre désespoir,
Le rossignol chantera.

Op gedempte toon

Laten we, rustig in de schemer
Van de hoge takken,
Onze liefde doordrenken
Van deze diepe stilte.

Laat onze zielen, onze harten
En onze verrukte zinnen één worden,
Temidden van de vage loonheid
Van spar en arrdbeiboom.

Doe je ogen half dicht,
Vouw je armen over je borst,
En verjaag voorgoed elk voornemen
Uit je in slaap gewiegd hart.

Laten we ons overgeven
Aan de wiegende, zachte bries
Die aan je voeten rimpels brengt
In de golving van het bruine gras.

2. Fantoches.

Scaramouche et Pulcinella
Qu'un mauvais dessein rassembla,
Gesticulent, noirs sous la lune.

Cependant l'excellent docteur
Bolonais cueille avec lenteur
Des simples parmi l'herbe brune.

Lors sa fille, piquant minois,
Sous la charmille en tapinois
Se glisse demi‑nue, en quête

De son beau pirate espagnol;
Dont un amoureux rossignol
Clame la détresse à tue‑tête.

Marionetten

Scaramouche en Pulcinella,
Samengekomen voor een boosaardig plan,
Gesticuleren, donkere silhouetten in het maandlicht.

Ondertussen plukt de kundige dokter
Uit Bologna met langzame gebaren
Geneeskrachtige kruiden in het bruine gras.

Terwijl zijn dochter, met haar verleidelijke gezichtjes,
Stiekem onder de heg door sluipt,
Half naakt, op zoek naar

Haar knappe Spaanse piraat,
Wiens liefdessmart luid wordt uitgezongen
Door een smachtende nachtegaal.

3. Clair de lune

Votre âme est un paysage choisi
Que vont charmant masques et bergamasques,
Jouant du luth, et dansant, et quasi
Tristes sous leurs déguisements fantasques.

Tout en chantant sur le mode mineur
L'amour vainqueur et la vie opportune,
Ils n'ont pas l'air de croire à leur bonheur
Et leur chanson se mêle au clair de lune,

Au calme clair de lune triste et beau,
Qui fait rêver les oiseaux dans les arbres
Et sangloter d'extase les jets d'eau,
Les grands jets d'eau sveltes parmi les marbres.

Maanlicht

Jouw ziel is een uitverkoren landschap
Waarin gemaskerde figuren elegant rondgaan.
Op de luit spelend, dansend en schijnbaar
Treurig onder hun exuberante vermomming.

Allen zingend in mineurtoon
Over de aloverwinnende liefde en het gelukkige leven,
Lijken zij toch niet in hun geluk te geloven
En hun lied vermengt zich met het maanlicht.

Met het droefgeestige mooie maanlicht,
Dat de vogels in de bomen doet dromen
En de fonteinen van extase doet snikken,
Die grote, slanke fonteinen temidden van de marmeren beelden.

Vertaling: Miene van Erven

Alphons Diepenbrock

Chanson d’automne (Verlaine)

Les sanglots longs
Des violons
De l’automne
Blessent mon coeur
D’une langueur
Monotone.

Tout suffocant
Et blême, quand
Sonne l’heure,
Je me souviens
Des jours anciens,
Et je pleure.

Et je m’en vais
Au vent mauvais
Qui m'emporte
Deçà, delà,
Pareil à la
Feuille morte.

Mignon
(Goethe)
Uit: Zwei Gesänge, nr. 1

Opus 2

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunklen Laub die Gold Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrthe still und hoch der Lorbeer steht,
Kennst du es wohl? Dahin, Dahin
Möcht'ich mit Dir, o mein Geliebter, ziehn.

Kennst du das Haus? Auf Säulen ruht sein Dach.
Es glänzt der Saal, es schimmert das Gemach
Und Marmorbilder stehn und seh'n mich an:
Was hat man dir, du armes Kind, getan?
Kennst du es wohl? Dahin, Dahin
Möcht'ich mit dir, o mein Beschützer, ziehn.

Kennst du den Berg und seinen Wolkensteg?
Das Maultier sucht im Nebel seinen Weg.
In Höhlen wohnt der Drachen alle Brut,
Es stürzt der Fels und über ihn die Fluth.
Kennst du ihn wohl? Dahin, dahin
Geht unser Weg! o Vater, lass uns ziehn!

Die Liebende schreibt (Goethe)

Ein Blick von deinen Augen in die meinen,
Ein Küβ von deinem Mund, auf meinen Mund,
Wer davon hat, wie ich, gewissen Kunde.
Mag dem was anders wohl erfreulich scheinen?

Entfernt von dir, entfremdet von den Meinen,
Führ'ich stets die Gedanken in die Runde,
Und immer treffen sie auf jene Stunde,
Die einzige; da fang' ich an zu weinen.

Die Träne trocknet wieder unversehens;
Er liebt ja, denk ich, her in diese Stille,
Und solltest Du nicht in die Ferne reichen?

Vernimm das Lispeln dieses Liebewehens;
Mein einzig Glück auf Erden ist dein Wille,
Dein freundlicher zu mir; gieb mir ein Zeichen.

Es war ein alter König (Heine)

Es war ein alter König,
Sein Herz war schwer,
Sein Haupt war grau.
Der arme, alte König,
Er nahm eine junge Frau.

Es war ein schöner Page,
Blond war sein Haupt,
Leicht war sein Sinn,
Er trug die seid'ne Schleppe
Der jungen Königin.

Kennst du das alte Liedchen?
Es klinkt so süβ,
Es klingt so trüb:
Sie muβten beide sterben,
Sie hatten sich viel zu lieb!

Gustav Mahler
Uit: Des Knaben Wunderhorn (Anoniem)

Rheinlegendchen

Bald gras ich am Neckar, bald gras ich am Rhein;
Bald hab ich ein Schätzel, bald bin ich allein!
Was hilft mir das Grasen, wenn d'Sichel nicht schneid't!
Was hilft mir ein Schätzel, wenn's bei mir nicht bleibt.

So soll ich denn grasen am Neckar, am Rhein,
So werf ich mein goldenes Ringlein hinein.
Es flieβet im Neckar und flieβet im Rhein,
Soll schwimmen hinunter ins Meer tief hinein.

Und schwimmt es, das Ringlein, so friβt es ein Fisch!
Das Fischlein soll kommen auf's Königs sein Tisch!
Der König tät fragen, wem's Ringlein sollt sein?
Da tät mein Schatz sagen: das Ringlein gehört mein.

Mein Schätzlein tät springen bergauf und bergein,
Tät mir wiedrum bringen das Goldringlein mein!
Kannst grasen am Neckar, kannst grasen am Rhein,
Wirf du mir nur immer dein Ringlein hinein!

Wer hat dies Liedlein erdacht?

Dort oben am Berg in dem hohen Haus!
Da gukket ein fein's lieb's Mädel heraus,
Es ist nicht dort daheime.
Es ist des Wirts sein Töchterlein,
Es wohnet auf grüner Heide,

Mein Herzle ist wund,
Komm, Schätzle, mach's gesund
Dein schwarzbraune Aüglein
Die hab'n mich verwund't,

Dein rosiger Mund
Macht mich Herzen gesund.
Macht Jugend verständig
Macht Tote lebendig
Macht Kranke gesund.

Wer hat denn das schön schöne Liedlein erdacht?
Es haben's drei Gäns' über's Wasser gebracht;
Zwei graue und eine weiße
Und wer das Liedlein nicht singen kann,
Dem wollen sie es pfeifen!

Lob des hohen Verstands

Einstmals in einem tiefen Tal
Kukuk und Nachtigall
Täten ein Wett' anschlagen:
Zu singen um das Meisterstück,
Gewinn' es Kunst, gewinn' es Glück:
Dank soll er davon tragen.

Der Kukuk sprach: "So dir's gefällt,
Hab' ich den Richter wählt",
Unt tät gleich den Esel ernennen.
"Denn weil er hat zwei Ohren groß, Ohren groß,
So kann er hören desto bos
Und, was recht ist, kennen!"

Sie flogen vor den Richter bald.
Wie dem die Sache ward erzählt,
Schuf er, sie sollten singen.
Die Nachtigall sang lieblich aus!
Der Esel sprach: "Du machst mir's kraus!
I-ja! I-ja! Ich kann's in Kopf nicht bringen!"

Der Kukuk drauf fing an geschwind
Sein Sang durch Terz und Quart und Quint.
Dem Esel g'fiels, er sprach nur
"Wart! Wart! Wart! Dein Urteil will ich sprechen,
Wohl sungen hast du, Nachtigall!
Aber Kukuk, singst gut Choral!

Und hältst den Takt fein innen!
Das sprech' ich nach mein' hoh'n Verstand!
Und kost' es gleich ein ganzes Land,
So laß ich's dich gewinnen!"

Johannes Brahms

Sehnsucht (Kugler)
Opus 112, nr. 1

Es rinnen die Wasser Tag und Nacht,
Deine Sehnsucht wacht.

Du gedenkest der vergangenen Zeit,
Die liegt so weit.

Du siehst hinaus in den Morgenschein
Und bist allein.

Es rinnen die Wasser Tag und Nacht,
Deine Sehnsucht wacht.

Himmel strahlt so helle und klar (Anoniem)

Himmel strahlt so helle und klar,
Heller strahlt mir dein Augenpaar.
Du meine Rose, mir ins Auge blick,
Daß ich dich segne in meinem Glück.

Vögleins Lied so lieblich erklingt,
Süß'res Lied mir mein Liebchen singt.
Du meine Rose, mir ins Auge blick,
Daß ich dich segne in meinem Glück.

Sonne küßt das ganze Erdenrund,
Heißer küßt mich dein Rosenmund.
Du meine Rose, mir ins Auge blick,
Daß ich dich segne in meinem Glück.

Rote Rosenknospen (Anoniem)

Rote Rosenknospen
künden schon des Lenzes Triebe.
Rosenrote Wangen
Deuten Mädchens erste Liebe.
Kleiner roter Vogel,
Flieg herab zur roten Rose!
Bursche geht zum ros'gen
Mädchen kosen.

Liebe Schwalbe, kleine Schwalbe (Anoniem)

Liebe Schwalbe, kleine Schwalbe,
Trage fort mein kleines Briefchen!
Flieg zur Höhe, fliege schnell aus,
Flieg hinein in Liebchens Haus!

Fragt man dich, woher du kommest,
Wessen Bote du geworden,
Sag, du kommst vom treusten Herzen,
Das vergeht in Trennnungsschmerzen.

Alphons Diepenbrock

Meinacht (Swarth)

Ik zag in 't grondloos blauw de sterren vonken,
En witte wolkjes komen en verdwijnen.
O klaar en koel, als menselijke oogen blonken.
De gouden spranken, die onze aard beschijnen!

Toen sloeg ik d'oogen neer. Mijn lippen dronken
Den zoelen wind, vol geuren van jasmijnen.
En droomensmoê, in stil genot verzonken,
Vergat mijn ziel de wilde winterpijnen.

Een nachtegaal, op blanke bloesemtwijgen,
Verhief de stem en zong een lied van minnen.
De lentenacht smolt weg in aêmloos zwijgen.

Mij drong die vogelzang door ziel en zinnen.
Uw vleug'len, zanger, mocht ik vaak benijden,
Doch tienmaal meer uw lied van liefde lijden!


De Klare Dag
(Van Eeden)

De klare dag, die schoon en glansrijk lacht,
Heeft schaamrood 't wilde wolkenheir verdreven,
De rust aan 't moegeteisterd loof hergeven,
En zonnig zwijgen over d'aard gebracht.

De stilte waart verkwiklijk door de dreven,
slechts tusschen vochte blaad'ren drupt het zacht.
Breed straalt des hemels blauw in effen pracht,
waarlangs de vlokkig donzen wolkjes zweven.

O, Eudia! O, Eudia!  Gezegend tooverwoord!
Dat vredebrengend als gewijde zangen,
Of als Homerisch lied mijn ziel doortrilt,
 
Gij hebt de stormen in mijn borst gestild!
Met plechtig zwijgen mijn gemoed omvangen.
En slechts mijn tranen druppen zachtkens voort.


Avondzang
(Perk)
Uit: Mathilde, een Sonnettenkrans

Het zuidewindje
suist door zwarte twijgen,
En kust het slapend dons
der zangers teeder,‑
De zilvren boomen
wiegen heen en weder,
En doen hun schaduw
met hen mede nijgen,‑

Een stille zwoelte
komt uit de akkers stijgen,
Een koele stilte
daalt op donzen veder,
De zilvren nachtzon
sprenkelt droomen neder,
En lacht van liefde
in eeuwig lachend zwijgen:

Mathilde, sluimer!
Zomernacht doet droomen,
En zomerdroomen zijn van manestralen,
En manestralen zijn als liefdestroomen;

De liefde doen zij uit den hemel dalen,
En dalen in de ziel, die zij vervromen:
Is de liefde dwaling,
kan men zoeter dwalen..?

Zij sluimert (Perk)
Uit: Mathilde, een Sonnettenkrans

Zij rust in 't malsche mos
en houdt gebogen
Dien arm,
dien mos en lokken beide streelen.
Een sprei van groene schaduw,
zacht bewogen,
Daalt uit de zilverloovers der abeelen;
Zij ademt zuchten en zij lacht, als togen
Er droomen door heur ziel,
die vroolijk spelen:
O, zoete hoop!
straks opent zij heur oogen,
Straks zal de hemel nieuwe heemlen telen:

Slaap zacht!
Ik zie den donkren nacht genaken,
Dat gij Uw oog
voor eeuwig houdt geloken,-
Dan sluimert gij,
maar kunt niet meer ontwaken:

Dan zal de zode die gij dekt, u dekken
Dan zal geen zonnestraal
uw lippen strooken,
Geen lied van 't woud
u uit dien sluimer wekken.-

Dämmernd liegt der Sommerabend
(Heine)

Dämmernd liegt der Sommerabend
Über Wald und grünen Wiesen;
Goldner Mond im blauen Himmel
Strahlt herunter, duftig labend.

An dem Bach zirpt die Grille,
Und es regt sich in dem Wasser,
Und der Wandrer hört ein Plätschern
Und ein Atmen in der Stille.

Dorten, an dem Bach alleine,
Badet sich die schöne Elfe;
Arm und nacken, weiß und lieblich,
Schimmern in dem Mondenscheine.

Ellen Valkenburg / sopraan

Ellen Valkenburg studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Maria Acda en Sasja Hunnego en haalde in 2004 haar master. Ze volgde masterclasses bij onder andere Elly Ameling en Robert Holl en had les van onder meer Margreet Honig en Meinard Kraak. In 2012 kreeg ze het Margit Widlund Stipendium toegekend, dat is bestemd voor jonge zangeressen met een bijzondere podiumpresentatie.

Met pianiste Andrea Vasi vormt zij een duo. Samen wonnen zij verscheidene prijzen waaronder de 'Prijs van de Vrienden van het IVC’. Met vier andere zangeressen en pianist Maurice Lammerts van Bueren vormt zij het Coco Collectief.

 

Hein van Eekert / presentator

Na een studie Nederlandse taal- en letterkunde in Utrecht woonde en werkte Hein van Eekert enige jaren in Londen. Daar begon hij als muziekjournalist voor het blad Luister. Na zijn terugkeer naar Nederland werd hij gevraagd als gast voor uitzendingen bij NPO Radio4, waar hij sinds enkele jaren vaste presentator is van het programma NTR Opera Live.

Regelmatig geeft Hein inleidingen bij onder meer De Nationale Opera en geeft lezingen en colleges. Naast zijn werk als muziekjournalist schrijft hij toelichtingen voor concerten en cd’s. Hein is verder docent Latijn, drama en vooral Nederlands. Samen met een aantal collega’s regisseerde hij toneelstukken en werkte aan het populariseren van klassieke muziek en opera.

 

Rosina Fabius / mezzosopraan

Rosina Fabius studeerde zang aan het Utrechts Conservatorium en daarna een jaar aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen. Sinds het behalen van haar Master in 2017 wordt zij gecoacht door Rosemary Joshua en Manuela Ochakovski.

Naast rollen in operaproducties is Rosina Fabius een veelgevraagd soliste voor concerten en oratoria, in met name werken van Bach. Door haar muzikale achtergrond heeft zij een voorliefde voor kamermuziek ontwikkeld, in niet alleen het klassieke maar ook het moderne repertoire. Met haar pianiste Kanako Inoue geeft zij regelmatig liedrecitals. In 2018 won Rosina de Toonkunst Oratoriumprijs van het Internationaal Vocalisten Concours.

 

Peter Gijsbertsen / tenor

Peter Gijsbertsen studeerde cum laude af aan het conservatorium van Utrecht. Na zijn afstuderen ontving hij de John Christie Award in Glyndenbourne. Hij is drievoudig winnaar van het Internationaal Vocalisten Concours in ’s-Hertogenbosch, waar hij onder andere de hoofdprijs voor Lied won. In 2018 ontving hij de Nederlandse Muziekprijs. De jury was onder de indruk van zijn klankrijkdom.

Hij was de afgelopen jaren te horen in diverse operarollen, oratoria en heeft een zeer uitgebreid liedrepertoire. Hij nam meerdere cd’s op waarvoor hij lovende recensies ontving. Het overbrengen van de emotie in de muziek is voor hem het belangrijkst.

 

Florian Just / bariton

Florian Just begon zijn zangopleiding als lid van het Dresdner Kreuzchor waar hij als jongenssopraan al soleerde. Later studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam en aan het Conservatoire de Metz in de Opera- en Liedklas van Udo Reinemann. Hij won prijzen op internationale concoursen, waaronder de Vriendenkrans van het Concertgebouw Amsterdam.

Florian is een veelgevraagd solist, is sinds enkele jaren vaste gast bij Holland Opera en werkt internationaal mee aan modern muziektheater. Zowel met luitist Israel Golani als met pianist Jan-Paul Grijpink vormt Florian Just duo's waarmee hij liederen ten gehore brengt vanaf de vroege renaissance tot aan het moderne lied.

 

Maurice Lammerts van Bueren / piano

Pianist Maurice Lammerts van Bueren studeerde af bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam en behaalde aansluitend de aantekening kamermuziek. Hij kreeg les in liedbegeleiding van onder meer Graham Johnson en Rudolf Jansen. Voordat hij zich volledig toegelegde op liedbegeleiding, werkte hij als kamermusicus samen met vele instrumentalisten en werkte samen met zangers als Angelika Kirchschlager, Henk Neven, Robert Holl en Thomas Oliemans. Hij is ook oprichter en pianist van het Coco Collectief. Maurice is als coach verbonden aan de zangafdeling van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en gaf als gastdocent lessen en masterclasses in liedbegeleiding aan het Utrechts Conservatorium en ArtEz conservatorium.