donderdag

19 mei

20.15 - 21.30

Die schöne Magelone

Roderick Williams, bariton
© Groves Artists
Iain Burnside, piano
© TallWall Media
Thomas Beijer, verteller
© Juri Hiensch

Losse kaarten
Normaal € 39 / Vrienden ILFZ € 35 / < 30 jaar € 10

Dagkaart
Normaal € 44 / Vrienden ILFZ € 40
De dagkaart voor 19-05-2021 geeft toegang tot de poëziebespreking, de ochtend- en de middagsessie van de masterclass én het avondrecital.

Passe-Partout
Normaal € 350 / Vrienden ILFZ € 315
Bezoek met maar liefst 40% korting:
- 14 recitals,
- 16 masterclasses,
- 4 lezingen en meer.
Een passe-partout geeft toegang tot alle voor publiek toegankelijke evenementen van het festival.

Vrienden ILFZ
Bent u geen Vriend van het festival maar wilt u wél gebruik maken van het gereduceerde Vriendentarief? Kies dan bij kaarten bestellen de optie ‘Vriendentarief’ en voeg in de winkelmand ‘Vriend worden’ toe.

Dit concert heeft geen pauze, na afloop van het recital wordt u een gratis drankje aangeboden.

Een Middeleeuws liefdesverhaal over een ridder uit de Provence die valt voor een beeldschone Napolitaanse prinses; geliefden die elkaar vinden, weer kwijtraken, een reis over zee, gevangenschap bij een Sultan en uiteindelijk overwinnende liefde. Het was voer voor inspiratie voor Ludwig Tieck, de Duitse, romantische dichter die er een novelle van maakte, waarop componist Johannes Brahms 15 Romanzen aus Tiecks Magelone baseerde. Het is een liedcyclus en theaterstuk ineen, en daarmee misschien wel Brahms’ enige ‘opera’.

Vanavond komt dit verhaal tot leven en wordt u meegenomen in een kleurrijk avontuur. Een Frans verhaal, geschreven en getoonzet door een Duitse dichter en componist, uitgevoerd door twee van de meest vooraanstaande Britse musici van dit moment en een Nederlandse verteller, in Zeist. Als dat geen Europese eenwording is.

Dit recital wordt mede mogelijk gemaakt door de Jaap Blauwendraat Pianoservice

Johannes Brahms (1833 - 1897)
Die schöne Magelone  Op. 33 (Tieck)
1. Keinen hat es noch gereut
2. Traun! Bogen und Pfeil
3. Sind es Schmerzen
4. Liebe kam aus fernen Landen
5. So willst du des Armen
6. Wie soll ich die Freude
7. War es dir, dem diese Lippen bebten
8. Wir müssen uns trennen
9. Ruhe, Süßliebchen
10. Verzweiflung
11. Wie schnell verschwindet
12. Muß es eine Trennung geben
13. Sulima
14. Wie froh and frisch
15. Treue Liebe dauert lange

Net als zijn grote voorgangers Schubert en Schumann was Johannes Brahms een meester in het intieme liedgenre, dat streeft naar de ultieme verbinding van woord, muziek en emotie. Lange tijd bleef Brahms als liedcomponist verwaarloosd. Pas de laatste decennia deed er zich in de musicologie een kentering voor en wordt Brahms’ rijke liedoeuvre eindelijk op waarde geschat. Recente publicaties - Eric Sams’ schitterende The Songs of Johannes Brahms (2000, Yale University Press) voorop - dragen in belangrijke mate bij tot een dieper en juist begrip van deze schat aan liederen. Een schat die bestaat uit ca. tweehonderd sololiederen verspreid over 31 bundels, twintig duetten en zestig solokwartetten met pianobegeleiding. Brahms componeerde zijn hele leven lang liederen, vanaf zijn jeugd tot in zijn laatste jaren. Tussen het opus 3 van de 21-jarige en het voorlaatste opus 121 - de Vier ernste Gesänge - van de 63-jarige ligt een liedoeuvre dat een hechte eenheid van stijl vertoont.

‘Mindere’ dichters
Wat ongetwijfeld lang heeft bijgedragen tot de slechte appreciatie van Brahms’ liederen, is het hardnekkige vooroordeel dat Brahms geen literaire kennis of slechte smaak zou hebben, omdat hij gedichten van ‘mindere’ dichters heeft getoonzet. Inderdaad vermeed hij de bekende gedichten en cycli van de Duitse romantiek zoals Goethes Wilhelm Meister of Faust, of cycli van Heine en Eichendorff, die in de liederen van Schubert en Schumann centraal hadden gestaan. In Brahms’ liedoeuvre komen de namen van Goethe, Schiller, Heine en Mörike duidelijk minder aan bod. In plaats daarvan legde Brahms een opvallende voorkeur aan de dag voor onbekende, zogenaamde ‘tweederangsdichters’ als Paul Heyse, Klaus Groth, Friedrich Halm en Georg Friedrich Daumer. Namen die voor ons vandaag onbekend zijn, maar die in zijn tijd wel aanzien genoten. Een blik in Brahms’ bibliotheek leert ons dat hij een zeer brede literaire interesse had en dat hij openstond voor de dichters van zijn eigen tijd. Brahms was zeker kieskeurig wat zijn dichters betreft en hij was steeds op zoek naar hoge literaire kwaliteit, maar die zocht hij niet bij de grote romantische dichters die al zo vaak op geniale wijze door Schubert en Schumann waren getoonzet. Liever koos hij poëzie van dichters die in hun schaduw stonden en die hij met zijn muziek naar een hoger niveau zou optillen.

Autobiografisch
De keuze van een componist voor bepaalde gedichten hangt uiteraard sterk samen met zijn autobiografie. Zo koos ook Brahms teksten over thema’s en gevoelens die voor hem persoonlijk een speciale betekenis hadden. De reeds genoemde auteur Eric Sams wijst op het steeds terugkerende leidmotief van de romantische isolatie. Die is volgens Sams te linken aan Brahms’ persoonlijke emotionele ‘impasse’: zijn vurige liefde voor Clara Schumann en zijn grote bewondering voor Robert Schumann die tegelijk zijn rivaal op het liefdesfront was. Veel liederen van Brahms zijn klaagzangen van eenzaamheid of lamenteren over de onbereikbare geliefde.

Wortausdruck
Brahms’ liedesthetica bereikt ons onder meer langs de geschriften van zijn enige compositieleerling Gustav Jenner (1865-1920). Centraal in zijn esthetiek staat het streven naar de ultieme harmonie tussen de muzikale vorm en de poëtische tekst. Aan Jenner legde hij uit aan welke criteria een goed liedcomponist moet voldoen. Talent voor melodie is de eerste vereiste. Onmiddellijk daarna gevolgd door een grondige kennis van het contrapunt. Als allereerste moet men de vocale lijn en de baspartij als contrapuntisch raamwerk componeren. Volgens diverse getuigenissen beoordeelde Brahms een lied door enkel de melodie en de baslijn te bekijken en de middenstemmen af te dekken. Ook tijdens het begeleiden van zangers aan de piano zou Brahms steeds de baslijn benadrukt hebben.

Verdere essentiële criteria luiden dat de muzikale vorm moet corresponderen met de poëtische tekst en dat men steeds rekening moet houden met de structuur en het metrum van het gedicht. Brahms streefde ernaar dat zijn liederen een perfecte spiegel waren van de gedichten, tot in het kleinste detail. Zo had hij veel aandacht voor de interpuncties en de pauzes in de teksten. Zelf declameerde hij de gedichten voortdurend om de pauzes en accenten op de juiste plekken aan te voelen, die op exact dezelfde momenten in de muziek moesten staan. Er zijn notitieboekjes van Brahms bewaard met handgeschreven kopieën van gedichten waarin hij de accenten markeerde en zelfs hier en daar maatstrepen noteerde.

Volgens nog een ander criterium moest de pianopartij onafhankelijk zijn. Muzikale uitbeelding of toonschildering van woorden - door Brahms ‘Wortausdruck’ genoemd - is toegelaten om belangrijke details te illustreren (bv. het regenmotief in Regenlied), maar mag zeker niet het overkoepelende, algemene beeld van het gedicht verstoren.

Uiteraard was het geen sinecure om aan al deze strenge voorschriften tegelijk te voldoen. Ook niet voor Brahms zelf. Hij vernietigde of herwerkte zijn liederen dan ook voortdurend, alvorens hij ze vrijgaf voor publicatie.

Volksliedideaal
In een brief aan Clara Schumann uit 1860 schreef Brahms: ‘Liedcomposities zijn vandaag zozeer op een dwaalspoor terechtgekomen dat je niet sterk genoeg aan je ideaal kunt vasthouden. En dat ideaal is voor mij het volkslied.’ Brahms koesterde een grote liefde voor het volkslied, tot aan het einde van zijn leven toen hij zijn 49 Deutsche Volkslieder uitgaf. Naar eigen zeggen had geen enkel werk hem zoveel plezier gegeven. In zeven bundels verzamelde hij zijn meest geliefde volksliederen, die hij had geput uit verschillende verzamelingen zoals de Stimmen der Völker in Liedern van Herder, de bundels van Zuccalmaglio, Kretzschmar en van Erk en Böhme. Uiteraard bleef het niet bij louter ontlenen. Brahms voorzag de volksliederen van een even accurate als sobere begeleiding. Met een minimum aan middelen smeedde hij ze om tot uiterst expressieve kunstliederen. Ook zijn eigen liederen leunen vaak tegen het volkslied aan, met name de eenvoudig zingbare melodie.

Strofisch gevarieerd
Een verdere invloed van het volkslied mag blijken uit Brahms’ voorkeur voor de strofische vorm - in elke strofe keert dezelfde muziek terug - die hij ook bij Schubert grondig had bestudeerd. Brahms’ liederen zijn zelden strikt strofisch. Hij was een meester in de gevarieerde strofische vorm en ontwikkelde een heel arsenaal aan variatietechnieken om strofen aan te passen, van lichte melodische variaties tot complete herwerkingen van frasen. Het is telkens een wonder wat Brahms bereikt met minieme ingrepen als een eenvoudige syncope, een discreet dissonant akkoord, de plotse schaduw van een mineur, de flits van een majeurakkoord.

Het mag ondertussen duidelijk zijn dat Brahms’ liederen een componist tonen die zeer goed in staat was om een tekst tot leven te brengen met puur muzikale middelen. Daarbij steeds weloverwogen gebruik makend van verschillende parameters: declamatie, melodische lijn, sfeerscheppend piano-intro, de emotionele impact van harmonieën, motivische manipulaties of efficiënt gebruik van pauzes. Al deze aanpakken en technieken maken Brahms’ liederen zo rijk en dragen bij tot een rake psychologische portrettering van de personages in de gedichten. Zijn liederen overstijgen het ‘op muziek zetten’ van de tekst. Het zijn composities ‘deren Poesie man ohne die Worte zu kennen, verstehen würde‘, aldus Robert Schumann in 1853.

Die schöne Magelone
Johann Ludwig Tieck (1773-1853), geboren in Berlijn, studeerde filosofie en theologie in Göttingen en Erlangen. In Jena ontmoette hij Herder, Friedrich Schlegel en Novalis. Ook Goethe en Schiller behoorden tot zijn kennissenkring. Hij werd snel bekend om zijn vaardigheden als romanschrijver, fabeldichter en auteur van komedies, die hij soms uitbracht onder het pseudoniem Peter Leberecht. Deze Peter Leberecht was tevens de auteur van de eerste versie van Die wundersame Liebesgeschichte der schönen Magelone und des Grafen Peter von Provence uit 1797. Tieck maakte van een overlevering uit een oud ‘Volksbuch’ een sprookje over een held die avonturen, gevaren, scheiding, schipbreuk en gevangenschap ondergaat en uiteindelijk liefdesgeluk vindt. Het is een vroeg voorbeeld van een romantische novelle, een nieuwe literaire vorm en een van de werken die Tieck roem en erkenning bracht. Het verhaal verscheen later opnieuw in de bundel Phantasus uit 1812 en in de verzamelde Schriften uit 1828, die Brahms in zijn bezit had.

Tieck verweefde in dit lange verhaal zeventien gedichten, waarvan Brahms er vijftien op muziek zette. Het zijn lyrische rustpunten binnen het epische plot, beschouwingen en gemoedsstemmingen van de held en andere figuren.

De liederen zijn op verschillende tijdstippen ontstaan. Brahms begon aan het werk in 1861, maar voltooide het pas in 1868. De cyclus kende aanvankelijk dan ook veel tegenslag. Breitkopf & Härtel, de eerste uitgever die Brahms benaderde, weigerde het uit te geven, waarschijnlijk omwille van de hoge moeilijkheidsgraad. Ook talrijke tenoren en baritons lieten het werk links liggen omdat het te hoge eisen stelt, zowel vocaal als pianistiek. Maar dit is niet de enige reden waarom de cyclus nooit dezelfde bekendheid kreeg als Schuberts Die schöne Müllerin of Winterreise. Wanneer deze liedcycli in hun volledigheid worden uitgevoerd, is er een duidelijke verhaallijn. De verhalen ontvouwen zich tegelijk met de muziek. Dit is niet het geval bij Die schöne Magelone, wat een reeks romances is zonder onmiddellijk herkenbaar verhalend verband. Zelfs een vertaling van de gezongen teksten verklaart onvoldoende hun betekenis in de context van het verhaal.

Een brief van Brahms uit 1875 aan zijn uitgever Rieter-Biedermann toont aan dat Brahms echter niet wilde dat de volledige tekst van Tieck bij zijn liederen werden afgedrukt: ‘Meine Magelone Musik hat nun einmal durchaus nichts mit dem Phantasus und der Liebesgeschichte vom Peter zu tun. Ich habe wirklich bloß die Worte in Musik gesetzt und es geht niemand dabei die Landschaft oder das Hospital oder sonst was an….‘

Brahms had ook nooit de bedoeling alle liederen op een avond te laten uitvoeren. Hij verkoos zelfs om niet meer dan drie van zijn eigen liederen te horen op een concert. Dit moet men ook zien in de tijdsgeest: de integrale uitvoering van liedcycli was überhaupt nog niet gangbaar in het openbare concertleven van de negentiende eeuw en is pas een verworvenheid van de twintigste eeuw. Hoewel Brahms Die schöne Magelone dus nooit heeft geschreven met de bedoeling als een hechte cyclus met gesproken teksten op een avond uit te voeren, is het wel degelijk zinvol om de teksten van Tieck eraan toe te voegen voor een beter begrip van de liederen. Vooral omdat het sprookje van Tieck vandaag de dag niet meer vanzelfsprekend bekend is bij de toehoorders.

Het verhaal
De jonge graaf Pieter uit de Provence wordt in Napels verliefd op de wondermooie dochter van koning Magelon. Het liefdesgeluk van Pieter en Magelone wordt echter verstoord, wanneer zij vernemen dat Magelone moet trouwen met de heer van Carpone. Ze vluchten in de nacht. Vanaf dat moment wordt het verhaal nog een stuk avontuurlijker. Een raaf steelt hun ringen en vliegt ermee over de zee. Pieter wil hem volgen in een kleine boot, een reis die hem naar het Oosten voert. Daar wordt Sulima, de dochter van de Sultan, verliefd op hem - Geliebter, wo zaudert dein irrender Fuß? - terwijl Magelone onderdak vindt in een afgelegen hut van schapenhoeders, bij een oud koppel dat doet denken aan Philemon en Baucis. Na lange zwerftochten wordt Pieter aan boord genomen van een westers schip, dat hem achterlaat op een zogezegd verlaten eiland. Pieter ontmoet er een oude schapenhoeder - de gastheer van Magelone. Na een reeks van misverstanden en verwarrende gebeurtenissen vinden de twee geliefden elkaar terug: Treue Liebe dauert lange.

De romances
naar Graham Johnson

Keinen hat es noch gereut
De cyclus opent met een van de drie liederen die niet door Pieter worden gezongen. De jonge graaf wordt tijdens een steekspel aan het hof door een vreemde minnezanger benaderd, die hem aanspoort om erop uit te trekken en de wereld te zien. Het openingsmotief van jachthoornkwinten in de pianopartij suggereert de fanfare die in de middeleeuwen bij het steekspel hoorde. Ook het bestijgen van het paard geeft Brahms weer door de vocale lijn van de eerste zin te laten culmineren op de hoogste noot op het woord ‘Roß’. Vervolgens zijn we vertrokken en horen we het galopperende ritme dat het lied verder domineert.

Traun! Bogen und Pfeil
Pieter trekt de wijde wereld in en zingt een strijdlustig lied. Dit is het kortste lied van de cyclus met enerzijds echo’s van de da capo aria in de stijl van Händel en anderzijds de typische ‘Volksstil’ van Brahms’ volksliederen. We horen ouderwetse sprongen in de pianobassen, staccato gespeeld. De stemming is zelfbewust en mannelijk. De vocale lijn is direct en op het agressieve af. We horen een jongeman die zich klaarmaakt om oorlog te voeren. Het zielige huilen van ‘Der Elende’ wordt geparodieerd in een aandoenlijk ‘boehoe’-motief.

Sind es Schmerzen, sind es Freuden?
‘Is het pijn of is het vreugde?’ vraagt Pieter zich af, verward door zijn gevoelens van verliefdheid nadat hij de mooie koningsdochter Magelone heeft ontmoet. Voor deze belangrijke ontmoeting die zijn leven zal veranderen, schrijft Brahms een monumentaal lied van bijna symfonische proporties.  De rechterhand van de pianopartij zingt met hart en ziel in tertsen, terwijl de staccato akkoorden in de linkerhand de geplukte snaren van Pieters luit evoceren. De zangpartij houdt het midden tussen een ouderwetse serenade en een dweperige opera-aria. Op de woorden ‘Ach, und fällt die Träne nieder’ suggereert de ‘mezzo staccato’ begeleiding het vallen van de tranen.

Liebe kam aus fernen Landen
Pieter schenkt Magelone - via haar min - een van de drie kostbare ringen die zijn moeder hem had meegegeven en een geschreven liefdesverklaring. Brahms maakt er een ceremonieel lied van. ‘Liebe’ wordt hier als een persoon voorgesteld. Pieter beschrijft welke reis de geïdealiseerde liefde heeft gemaakt. Haar verschijning in de muziek is even plots als Pieters intrede bij Magelone. Bijgevolg is er geen pianoprelude en de vocale lijn - gekenmerkt door dalende intervallen van een kwart of bewegend in kleine secundestapjes - begint meteen in de eerste maat. In de begeleiding horen we de schaduw van de zanglijn, in syncopen. De groepjes van achtste noten met accenten op elke zware tel verbeelden het verlangen van Pieter. Op de woorden ‘Alle meine Wünsche flogen’ slaat de muziek als het ware op de vlucht met een sneller tempo en de typisch Brahmsiaanse vermenging van triolen en duolen. Op ‘Ach! Wer löst nun meine Ketten?’ lijkt Brahms geïnspireerd door het beeld van de kettingen: we horen een snelle opeenvolging van modulaties vol wijzigingstekens tot het woord ‘retten’, waar we in do-groot terechtkomen en alle wijzigingstekens wegvallen, alsof alle kettingen ineens verdwenen zijn.

So willst du des Armen
Dit lied reflecteert de nieuwverworven zekerheid van Pieter dat Magelone hetzelfde voelt voor hem als hij voor haar. Brahms schrijft een lied bruisend van geluk, met opnieuw de typische opeenhoping van triolen en duolen in de pianopartij die het lied vooruitstuwen. In de tweede strofe wordt de pianotextuur plots dunner. Achtste noten wisselen af tussen beide handen. Brahms lijkt zich hier te laten inspireren door het beeld van een schitterende zonnestraal die door het donker breekt en Pieters schuchtere gezicht belicht.

Wie soll ich die Freude
Pieter zingt op zijn luit een driedelige romance. Het ritornello van het begin met staccato sprongen in triolen in de bassen van de piano tegen duolen in de rechterhand geeft de ambiguïteit weer van subliem geluk overschaduwd door twijfels en zorgen voor de toekomst. De muziek op ‘Ach, wie bald bin ich der Wonne mir kaum noch bewußt’ introduceert een zacht wiegelied. De muziek lijkt - zoals Pieter zelf - verlamd door een visioen van toekomstig geluk. Op ‘Darf mich doch nicht elend achten’ ontwaakt Pieter uit zijn dagdroom en denkt weer aan actie. Het ritornello van het begin keert terug.

War es dir?
Pieter geniet na van het geluk na de eerste ontmoeting met Magelone. Brahms maakt er een lied in walsvorm van, gedomineerd door stralende harmonieën in majeur. De vocale lijn beweegt zich geleidelijk omhoog en bereikt het hoogste punt op ‘Lippen’ en ‘süße’.  Op het einde van de eerste strofe herhaalt Brahms de woorden ‘alle Sinne nach den Lippen strebten’ waarbij de herhaling van ‘Lippen’ stilstaat op een hoge fa-kruis met lange gebonden noten: een lange kus!

Wir müssen uns trennen
Magelone wordt uitgehuwelijkt door haar vader en heeft Pieter gevraagd haar te ontvoeren. Pieter neemt afscheid van zijn luit, het instrument dat zijn gevoelens door en door kent, en waagt het avontuur. Aanvankelijk lijkt het een eenvoudige, charmante serenade. Brahms maakt hier een muzikale reis in de tijd. De archaïsche kleur in dit lied herinnert eraan dat het verhaal zich afspeelt in de tijd van de troubadours. In het tweede vers komt de ridder in Pieter weer naar boven. We horen een verwijzing naar militaire muziek wanneer Brahms een trom evoceert in tweeëndertigste noten in beide handen van de pianopartij. De verandering van luit naar trom illustreert de twee kanten van onze held: hij is zowel een trouwe geliefde in de nobele riddertraditie alsook een krijger die niet bang is om te vechten voor dat waar hij in gelooft.

Ruhe, Süßliebchen
De voortvluchtigen zijn moe geworden. Met een romantisch wiegelied zingt Pieter Magelone in slaap. Het is één van de vele Brahmsliederen waarvan de begeleiding op syncopen is gebouwd. Het is een warme zomernacht met een vredig gefonkel van de sterren. Bijzonder treffend is de smachtende frase op de woorden: ‘Ewig bin ich dein’ en de wiegende begeleiding eronder. Al wat dit lied aan stemming, gevoel en verbeelding kan wekken, is in deze maten gevat: eeuwige liefde, de bekoring van de natuur en het geluk van twee koningskinderen in de sterrennacht.

Verzweiflung
Voor het eerst horen we een donkere toon in de liedcyclus. Pieter bevindt zich in een uitzichtloze toestand, drijvend op zee nadat een raaf er met de ringen vandoor is gegaan en hem van zijn slapende geliefde heeft weggelokt. Snelle zestiende noten in de pianobegeleiding suggereren de wilde, schuimende golven.

Wie schnell verschwindet
Magelone is na lange omzwervingen bij een oud herderspaar terechtgekomen. Ze zingt een klaaglied omdat Pieter haar verlaten heeft. Dit is een van de eenvoudigste liederen van de cyclus, waarbij de pianopartij beperkt is tot bescheiden ondersteuning van de zang. Het klinkt als een volkslied, met donkere kleuren wanneer de woorden verwijzen naar het gebroken hart en de rouw.

Muß es eine Trennung geben?
Na Magelone is het de beurt aan Pieter om een klaaglied te zingen over zijn ‘Sehnsucht’ en verscheurdheid. Pieter denkt dat Magelone dood is en gaat na lange twijfel toch met Sulima, de dochter van de sultan, op de vlucht over zee. Tieck specifieert dat dit lied wordt begeleid door de citer, door Brahms in de piano gesuggereerd met zestiende noten in een neerwaartse beweging, wat symbool staat voor wanhoop en berusting. De wisselingen tussen majeur en mineur herinneren aan Schubert.

Sulima
Pieter is op zee, alleen. In de verte hoort hij het afgesproken teken voor de vlucht met Sulima. Ze zingt op de citer een flirterig lied, met een doorgaand ‘moto perpetuo’ ritme en vreemd aandoende kleurinflecties, een van de weinige getuigenissen van exotisme bij Brahms. Ook het chromatisch heen- en-weer-gaan en de modale harmonieën in de cadensen wijzen op oosterse invloed.

Wie froh und frisch
In een vijfdelig, als een soort van rondo ingedeeld lied spreekt Pieter zich moed in, geniet van de natuur en verlangt naar zijn ‘Heimat’. Opgevist door een Frans schip vaart hij eindelijk naar huis. Krachtige akkoorden in het begin wijzen op het vooruitzicht van zekerheid en de thuiskomst.

Treue Liebe dauert lange
Pieter is terechtgekomen aan de kust waar Magelone bij de herders leeft. Pieter herkent haar eerst niet. Pas als ze haar gouden lokken losmaakt en kostbare kleding aantrekt, ziet hij dat hij de doodgewaande geliefde voor zich heeft. Wat volgt is een beschouwende epiloog over de moraal van het avontuurlijke verhaal. De vocale lijn doet denken aan een koraal met een vroom karakter. In het laatste vers verandert het tempo (‘lebhaft, alla breve’) en horen we een koortsachtig, opgewonden lied, een soort van ‘Ode an die Freude’ die aan Beethoven herinnert.  We kunnen ons inbeelden hoe een heel koor invalt in deze hymne van dank. Op het woord ‘Lust’ wordt de zanger uitgedaagd een hoge la-mol te zingen. De pianopartij is niet minder veeleisend met galopperende achtsten, heftige syncopen tussen beide handen en virtuoze drie-tegen-vier ritmes. Na deze turbulente passage keert het koraal terug, pianissimo.

Chloë Herteleer

Roderick Williams / bariton
Roderick Williams is een van de meest geliefde baritons van dit moment. Hij vertolkt een breed repertoire - van barok tot hedendaagse muziek - en treedt op als operazanger en solist in concertzalen en op festivals wereldwijd. Behalve uitvoerend musicus, is hij ook componist. Zijn werken gingen in première in concerten op tijdens liveoptredens op de Britse radio.
Momenteel is Williams singer-in-residence voor Music in the Round in Sheffield, waar hij concerten verzorgt en leidinggeeft aan dynamische en innovatieve leer- en participatieprojecten die amateurzangers van alle leeftijden kennis laten maken met het uitvoeren van klassiek liedrepertoire.

Iain Burnside / piano
Iain Burnside wordt wel de ideale liedpianist genoemd en werkte samen met ’s werelds grootste zangers, waaronder Roderick Williams. Hij nam ruim vijftig cd’s op waarop hij een breed liedrepertoire vertolkt en dat bekende en minder bekende werken bevat. Over zijn verkenningen van Schots, Engels en Iers repertoire schreef de pers dat ‘de resultaten opwindend’ waren. Burnside initieerde een nieuwe vorm van dramatische recitals en is naast zijn concertpraktijk artistiek leider van het Ludlow English Song Weekend en artistiek adviseur van de Grange Park Opera. Hij geeft masterclasses in binnen- en buitenland, is docent aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en programmeert voor Wigmore Hall.

Thomas Beijer / verteller
Thomas Beijer studeerde met de hoogste onderscheiding af aan het Amsterdamse conservatorium, waar hij les had van Jan Wijn. Hij vervolgde zijn opleiding bij de Cubaanse pianist Jorge Luis Prats en volgde verscheidene masterclasses. Met het winnen van het Young Pianist Foundation National Pianoconcours in 2007 plaatste hij zich aan de top van een nieuwe generatie jonge pianisten. Wat volgde waren optredens wereldwijd.
Beijer is een veelzijdig musicus met een breed repertoire dat rijkt van 17e-eeuwse muziek tot en met hedendaagse composities. Dit jaar ontving hij de Nederlandse Muziekprijs, de hoogste onderscheiding voor jonge getalenteerde musici. Naast zijn carrière als pianist, is hij ook componist, schrijver en tekenaar.

locatie
Grote kerkzaal / Zusterplein 12 / 3703 CB Zeist

Roderick Williams communiceert natuurlijk en expressief zonder ooit zijn toevlucht te nemen tot overmatige vocale of theatrale gebaren. Hij kleurde elk lied met talloze nuances.

~ Vivienne Schweitzer (The New York Times)

De lichtheid van het toucher van Iain Burnside, zijn expertise in het vinden van balans tussen en ondersteunen van de zang, en zijn pure liefde voor het repertoire zijn ongeëvenaard.

~ Primephonic

Delen met anderen