zaterdag

14 mei

20.15 - 22.00

Dort wollen wir niedersinken

Laurence Kilsby, tenor
© Eoin Schmidt-Martin
Hans Eijsackers, piano
© Marco Borggreve

Losse kaarten
Normaal € 39 / Vrienden ILFZ € 35 / < 30 jaar € 10

Dagkaart 
Normaal € 57 / Vrienden ILFZ € 51 / Leden VvhL € 20
De dagkaart voor 14-05-2021 geeft toegang tot de Dag van het Lied én het avondrecital.

Passe-Partout
Normaal € 350 / Vrienden ILFZ € 315
Bezoek met maar liefst 40% korting:
- 14 recitals,
- 16 masterclasses,
- 4 lezingen en meer.
Een passe-partout geeft toegang tot alle voor publiek toegankelijke evenementen van het festival.

Vrienden ILFZ
Bent u geen Vriend van het festival maar wilt u wél gebruik maken van het gereduceerde Vriendentarief? Kies dan bij kaarten bestellen de optie ‘Vriendentarief’ en voeg in de winkelmand ‘Vriend worden’ toe.

Leden vereniging Vrienden van het Lied
€ 20,00 (toegang Dag van het Lied én avondrecital met Christoph Prégardien en Hans Eijsackers.)

De veelbelovende, jonge tenor Laurence Kilsby presenteert vanavond met pianist Hans Eijsackers een programma vol hoogtepunten uit de rijke Duitse liedtraditie. Het merendeel van de liederen is gebaseerd op gedichten van Heinrich Heine – waaronder uiteraard Mendelssohns beroemde Auf Flügeln des Gesanges – het werk waaraan ons festival zijn thema ontleent.

Elke Duitse liedcomponist na Schubert is aan hem schatplichtig, maar Schumann, Mendelssohn en Brahms zijn bijzonder nauw met hem verbonden. Bovendien waren zij zeer innig bevriend met elkaar. Schumann verheerlijkte Schubert en vond diens 9e symfonie terug. Mendelssohn bracht die vervolgens, op Schumanns verzoek, in wereldpremière. En Brahms verzorgde later de uitgave van Schuberts muziek.

Toch is de omgang met de romantische, en ook vaak ironische, teksten van Heine bij deze componisten zeer verschillend. Mendelssohn weet de lichtheid ervan goed te vangen, terwijl Schumann in de pianopartij meesterlijk de dubbelzinnigheid en ironie benadrukt. Schubert daarentegen herkende in zijn laatste levensjaar juist zichzelf in de impliciete zwartgalligheid, die hem inspireerde tot de huiveringwekkende muziek bij Der Doppelgänger.

Dit recital wordt mede mogelijk gemaakt door Van Tellingen Interieurs

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847)
Reiselied  Op. 34/6 (Heine)
Morgengruß  Op. 47/2 (Heine)
Allnächtlich im Traume  Op. 86/4 (Heine)
Auf Flügeln des Gesanges  Op. 34/2 (Heine)
Gruß  Op. 19/5 (Heine)
Neue Liebe  Op. 19/4 (Heine)

Robert Schumann (1810-1856)
Liederkreis op. 24 (Heine)
1. Morgens steh’ ich auf und frage
2. Es treibt mich hin
3. Ich wandelte unter den Bäumen
4. Lieb Liebchen, leg’s Händchen
5. Schöne Wiege meiner Leiden
6. Warte, warte, wilder Schiffmann
7. Berg’ und Burgen schaun herunter
8. Anfangs wollt ich fast verzagen
9. Mit Myrten und Rosen

Pauze

Johannes Brahms (1833-1897)
Dein blaues Auge  Op. 59/8 (Groth)
Von ewiger Liebe  Op. 43/1 (von Fallersleben)
Feldeinsamkeit Op. 86/2 (Allmers)
Wie rafft ich mich auf  Op. 32/1 (von Platen)
Auf dem Kirchhofe  Op.105/4 (von Liliencron)

Franz Schubert (1797-1828)
Uit: Schwanengesang
Das Fischermädchen  D957/10 (Heine)
Am Meer  D957/12 (Heine)
Die Stadt  D957/11 (Heine)
Der Doppelgänger  D957/13 (Heine)
Ihr Bild D957/9 (Heine)
Der Atlas  D957/8 (Heine)

Scherp was de pen van Heinrich Heine - Harry voor intimi - in vele opzichten. Zijn proza bevat zeer rake observaties, ironie, scherpe humor en ferme stellingnames vervat in bloemrijke taal. De hand van Heine werd zowel bewonderd als gevreesd. Zijn poëzie is met een al even trefzekere pen geschreven, maar met name zijn vroege werk is veel romantischer en lyrischer, maar ook beknopter van aard. Met grote virtuositeit en verbeeldingskracht koos de dichter zijn spaarzame woorden. De tekst van deze vroege poëzie - veelal over (on)gelukkige liefde – is tot de essentie teruggebracht. De beeldende kracht en het metrum, maar niet zelden ook de ironie in deze woorden wist zeer veel componisten te inspireren: duizenden liederen zijn er op teksten van Heine gecomponeerd.

In dit recital klinken Heine-zettingen van Mendelssohn, Schumann en Schubert, met als contrapunt een zestal Brahms-zettingen op teksten van andere dichters. Het recital is een reis van het licht naar het donker.

Felix Mendelssohn-Bartholdy schreef de lichtste, meest sprookjesachtige en minst venijnige zettingen op de gedichten van Heine. Jachtig raast de piano voort in Reiselied, het openingslied van dit recital. Een jongeling raast te paard door het woud om zich zo snel mogelijk in de armen van zijn geliefde te kunnen storten. In gedachten is hij al gearriveerd, maar de ruiter blijkt slechts zijn droom na te jagen. Een zekere verwantschap met Schuberts Erlkönig is onmiskenbaar, al zijn de boodschap en het karakter van dit Reiselied een stuk minder duister.

In het charmant dansante Morgengruß komt een jongeman zijn geliefde gedag zeggen voordat hij op reis gaat. Er is echter niemand aan het raam. Hij stelt vast dat ze dan nog moet slapen en van hem aan het dromen is. Mendelssohn laat de jongeman graag in deze waan.

Allnächtlich im Traume: een jongeling ontwaakt uit een droom waarin hij zich aan de voeten van zijn geliefde heeft geworpen. De geliefde heeft hem getooid met een lauwerkrans en hem iets in het oor gefluisterd, maar bij het ontwaken is de krans verdwenen, de woorden vergeten. Mendelssohn 'vergeet' op dit moment ook het slotakkoord.

Zonder twijfel het bekendste en meest geliefde lied van Mendelssohn is Auf Flügeln des Gesanges. Liefdespoëzie in optima forma die door Mendelssohn van een barcarolle is voorzien die verwijst naar de 'heil'gen Stromes Well'n' in de tekst.

Door de frisse eenvoud van Gruß heeft dit strofische kleinood in Duitsland min of meer de status van volkslied. Neue Liebe uit dezelfde bundel roept de feeërieke sfeer van A Midsummer Night’s Dream op. Mendelssohn geeft aan de ongewisheid van de laatste strofe een spannende muzikale draai.

Het kan nauwelijks toeval zijn dat Robert Schumann zich vroeg in het jaar 1840 door Junge Leiden - het eerste deel uit Heines Buch der Lieder - liet inspireren tot Liederkreis. Schumann zelf beleefde immers hoogstpersoonlijk de door Heine verwoordde 'hoffnungslose oder ratlose Liebe'. Aan Clara Wieck had hij zijn hart verloren, maar de vader van Clara probeerde uit alle macht een stokje voor deze relatie te steken. Hoe autobiografisch wil je het hebben?

Alle gemoedstoestanden van de onbereikbare liefde komen langs in deze cyclus, van het dromerige verlangen in het openingslied Morgens steh’ ich auf und frage tot totale rusteloosheid in Es treibt mich hin, door Schumann gevangen in noten die de baaierd aan emoties muzikaal schetsen, uitvergroten en becommentariëren. De poging om aan de niet consumeerbare, verzengende liefde te ontsnappen door naar de dood te verlangen - Lieb Liebchen, leg’s Händchen - wordt door Schumann met bitterzoete muzikale ironie omlijst. Grimmige emoties en verwijten voeren de boventoon in Warte, warte, wilder Schiffmann, door Schumann van een woeste begeleiding voorzien. Met de vloeiende lyriek in Berg’ und Burgen schaun herunter zorgt Schumann voor het benodigde contrast. Zo bewaakt Schumann de balans in de negen liederen waarin hij zijn eigen gemoedstoestand op zo indringende wijze heeft vastgelegd.

Zoals gezegd vormen de liederen van Johannes Brahms het contrapunt in dit programma. Hoewel ook Brahms liederen op teksten van Heine heeft gecomponeerd, is hier gekozen voor Brahms-liederen op andermans gedichten. Dein blaues Auge is gebaseerd op een van de vele gedichten van Klaus Groth die Brahms gezet heeft. Groth was een familievriend en in zijn tijd beroemd om zijn gedichten in 'Plattdeutsch' dialect. De persoon in dit gedicht 'kijkt zich gezond' in de blauwe ogen van een nieuwe geliefde om zo de pijn van een verloren liefde te kunnen vergeten.

August Heinrich Hoffmann von Fallersleben was taalwetenschapper en dichter. Brahms heeft diverse gedichten van hem gezet. Von ewiger Liebe behoort zonder twijfel tot de belangrijkste liederen die Brahms geschreven heeft. Het is een tweespraak van geliefden, waarbij de jongen rept over zijn groeiende onrust betreffende de bestendigheid van de liefde. De begeleiding van de jongen is weliswaar in eerste instantie nog in een rustige mineur, maar met de groeiende onrust van de jongen groeit ook de dreiging van de begeleiding, totdat het meisje het woord neemt en spreekt over de eeuwige liefde die alles overwint. Brahms introduceert hier een barcarolle die dit vertrouwen benadrukt.

Herman Allmer, dichter van Feldeinsamkeit was absoluut niet te spreken over Brahms’ lezing van zijn gedicht. Niettemin wordt dit lied over het algemeen gezien als een hoogtepunt in het oeuvre van de componist. De twist die Brahms in de tweede strofe geeft aan de in eerste instantie wolkeloze zetting van het gedicht is dan ook niet mis te verstaan en geeft het gedicht een verdiepte lading.

Wie rafft ich mich auf is de eerste van de negen liederen uit opus 32 van Brahms, waarvan vijf van de hand van August Graf von Platen. Radeloze liefde die de ziel ook ’s nachts geen rust biedt, is ook hier het onderwerp.

Een romantischer beeld dan wordt opgeroepen in het nu volgende gedicht van Detlev von Liliencron is nauwelijks voorstelbaar. Auf dem Kirchhofe opent met arpeggio’s in de pianopartij die uitmonden in wrange mineur akkoorden. De setting zou bij Edgar Allan Poe niet misstaan: een begraafplaats met bemoste grafzerken op een stormachtige, kletsnatte dag. De hoofdpersoon verhaalt over de namen op de grafzerken die nauwelijks meer te lezen zijn. Maar dan volgt een draai in tekst en muziek: met het besef dat de graven zelfs in dit hondenweer rust en verlossing bieden wordt een koraalachtige melodie in majeur geïntroduceerd die het lied tot een vredig en verstild einde brengt.

 Met zes liederen uit Schwanengesang van Franz Schubert keren we tot slot van dit recital terug naar Heine. Postuum uitgegeven bevat deze cyclus (voor zover je van een cyclus kunt spreken) werk van drie verschillende dichters: zeven liederen op gedichten van Rellstab, één op een gedicht van Seidl en dus zes liederen op teksten van Heine. Deze zes Heine-liederen vormen in feite een cyclus op zich: het zijn de enige liederen op teksten van Heine die Schubert gecomponeerd heeft. Werken die een even huiveringwekkende als ontzagwekkende afsluiting vormen van het liedoeuvre van de componist. Deze liederen vragen het uiterste van de uitvoerenden zowel in expressie als qua spanningsbogen. De gedurfde kaalheid, schurende voortgang en extreme dynamiek die Schubert met name in Der Doppelgänger en Der Atlas toepast, kent zijn gelijke niet in de eerste helft van de negentiende eeuw. In feite zijn deze zes liederen stuk voor stuk mini-operaatjes. Pas in de tweede helft van de eeuw zou met name Hugo Wolf de lijn oppakken die Schubert met zijn vroege dood had moeten loslaten.

Robert Andriessen

Laurence Kilsby / tenor
De jonge, veelbelovende tenor Laurence Kilsby wordt omschreven als ‘een van de meest innemende zangers van zijn generatie’ en ‘een zanger die we in de gaten moeten houden’. Al op jonge leeftijd viel hij op en zijn solodebuut maakt in de Royal Albert Hall. Inmiddels is hij regelmatig te horen als liedzanger en als solist in verscheidene opera’s en oratoria bij onder andere de Nederlandse Reisopera en The Orchestra of the Age of Enlightenment en werkte hij mee aan diverse cd-opnamen.
Kilsby studeert momenteel aan het Curtis Institute of Music in Philidelphia en volgde masterclasses bij onder anderen Sarah Connolly en Roderick Williams.

Hans Eijsackers / piano
Hans Eijsackers studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam en de European Mozart Academy in Kraków. Zijn docenten waren Gérard van Blerk, Jan Wijn en György Sebök. Hij won prijzen bij het Europees Pianoconcours en ontving de Zilveren Vriendenkrans van het Concertgebouw. Momenteel is hij professor Liedgestaltung aan de Robert Schumann Hochschule in Düsseldorf.
Eijsackers treedt veelvuldig op als solist, kamermusicus en liedbegeleider en vormt een bevlogen liedduo met Henk Neven. Daarnaast is hij als jurylid en masterclassdocent regelmatig te gast in binnen- en buitenland en is artistiek leider van het van het Internationaal Studenten LiedDuo Concours in Groningen. In 2022 neemt hij samen met Henk Neven de artistieke leiding van het festival over van Robert Holl.

locatie
Grote kerkzaal / Zusterplein 12 / 3703 CB Zeist

De stem van Laurence Kilsby is een van de meest innemende stemmen van zijn generatie

~ Roy Westbrook, Bachtrack

We wisten meteen dat we in handen waren van een uitstekende pianist. De subtiliteit en zwier van Eijsackers grepen het publiek beet vanaf de eerste bochtige akkoorden

~ Bachtrack.com

Delen met anderen