dinsdag

17 mei

20.15 - 22.00

Traum und Wirklichkeit

Stéphane Degout, bariton
® Jean-Baptiste Millot
Alain Planès, piano
© Alain Planès

Losse kaarten
Normaal € 35 / Vrienden ILFZ € 32 / < 30 jaar € 10

Dagkaart 
Normaal € 44 / Vrienden ILFZ € 40
De dagkaart voor 17-05-2021 geeft toegang tot de ochtend- en de middagsessie van de masterclass, de lezing én het avondrecital.

Passe-Partout
Normaal € 350 / Vrienden ILFZ € 315
Bezoek met maar liefst 40% korting:
- 14 recitals,
- 16 masterclasses,
- 4 lezingen en meer.
Een passe-partout geeft toegang tot alle voor publiek toegankelijke evenementen van het festival.

Vrienden ILFZ
Bent u geen Vriend van het festival maar wilt u wél gebruik maken van het gereduceerde Vriendentarief? Kies dan bij kaarten bestellen de optie ‘Vriendentarief’ en voeg in de winkelmand ‘Vriend worden’ toe.

Stéphane Degout en Alain Planès nemen u mee naar een wereld vol dromen en harde werkelijkheid. In handen van een bariton wiens stem wordt omschreven als adembenemend en een pianist die de klanken van de piano ‘om de luisteraar vouwt’, belooft het een bijzondere avond te worden.

Zij brengen een programma met werken van Fauré, Ropartz en Schumann, veelal op teksten van Heinrich Heine. Waar zijn gedichten zich veel afspelen in dromen, is de werkelijkheid vaak een bittere. Lijnrecht daartegenover staat La Bonne Chanson van Fauré op teksten van Verlaine. Het is misschien wel de meest positieve en vreugdevolle liederencyclus van de negentiende eeuw. Want Verlaine was verliefd op Mathilde en die liefde wekte de droom tot leven. Maar al twee jaar na hun huwelijk verliet hij haar voor de twaalf jaar jongere dichter Arthur Rimbaud en wordt de droom ruw verstoord door de werkelijkheid. Ook Schumanns Dichterliebe begint hoopvol in het eerste lied – Im schönen Monat Mai – om bruut te eindigen met een grote doodskist waarin Heine zijn dromen, liefde en pijn begraaft. Maar bij Schumann heeft de pianist het laatste woord. Vertelt die ons dat er hoop is en ruimte voor nieuwe dromen?

Gabriel Fauré (1845 - 1924)
La Bonne Chanson  Op. 61  (Verlaine)
1. Une sainte en son auréole
2. Puisque l'aube grandit
3. La lune blanche luit dans les bois
4. J'allais par des chemins perfides
5. J'ai presque peur, en vérité
6. Avant que tu ne t'en ailles
7. Donc, ce sera par un clair jour d'été
8. N'est-ce pas?
9. L'hiver a cessé

Joseph Guy Marie Ropartz (1864 - 1955)
Quatres poèmes d’après l‘intermezzo d’Heinrich Heine
1. Tendrement enlacés, ma chère bien-aimée
2. Pourquoi vois-je pâlir la rose parfumée?
3. Ceux qui, parmi les morts d'amour
4. Depuis que nul rayon de tes yeux bien-aimés

Pauze

Robert Schumann (1810 - 1856)
Dichterliebe  Op. 48 (Heine)
1. Im wunderschönen Monat Mai
2. Aus meinen Tränen sprießen
3. Die Rose, die Lilie, die Taube, die Sonne
4. Wenn ich in deine Augen seh’
5. Ich will meine Seele tauchen
6. Im Rhein, im heiligen Strome
7. Ich grolle nicht
8. Und wüßten’s die Blumen, die kleinen
9. Das ist ein Flöten und Geigen
10. Hör’ ich das Liedchen klingen
11. Ein Jüngling liebt ein Mädchen
12. Am leuchtenden Sommermorgen
13. Ich hab’ im Traum geweinet
14. Allnächtlich im Traume seh’ ich dich
15. Aus alten Märchen
16. Die alten, bösen Lieder

Heine-vertaler Peter Verstegen noemt Heinrich Heine de meest on-Duitse van alle Duitse dichters. Zijn halve leven verbleef de dichter (1797-1856) in Parijs, dat had alles te maken met zijn pen en de vlammende maatschappijkritiek (vol sarcasme, maar ook humor) die daar menigmaal uit vloeide. In grote delen van Duitsland - in Heines tijd allesbehalve een eenheidsstaat - was hij persona non grata. In Parijs had de dichter de vrijheid die hij zich op zijn geboortegrond niet kon veroorloven.

Het zijn echter niet die latere maatschappelijk getinte gedichten die veel componisten wisten te inspireren tot verklanking, maar vaker de vroege gedichten vol romantische elementen als dromen, (onbereikbare) verlangens en heimwee. Schumanns Dichterliebe put uit Lyrisches Intermezzo, een set gedichten die in een grotere verzameling met veel andere gedichten van Heine in 1827 in druk verscheen onder de titel Buch der Lieder.

Het woeste leven van Paul Verlaine (1844-1896) moest zijn aanvang eigenlijk nog nemen toen hij de bundel La bonne chanson in 1870 opdroeg aan zijn aanstaande vrouw, de toen zestienjarige Mathilde Mauté. Verlaine dacht zijn homoseksuele gevoelens en alcoholisme met dit huwelijk te kunnen beteugelen. Een droom die al spoedig uiteen zou spatten, maar dat doet niets af aan de liefde en het verlangen dat opklinkt uit de 21 gedichten in deze in eerste instantie in eigen beheer uitgegeven bundel. Dat opklinken mag ook letterlijk genomen worden, want 'la musique avant toute chose' was het devies dat de dichter hoog in het vaandel had: de klank van de poëzie was minstens zo belangrijk als de inhoud. Geen wonder dus dat Fauré zich tot de gedichten van Verlaine aangetrokken voelde.

Gabriel Fauré maakte voor zijn gelijknamige cyclus een keuze van negen gedichten uit La Bonne Chanson. De cyclus werd opgedragen aan Emma Bardac, een zangeres waar hij destijds een affaire mee had. In het openingslied Une sainte en son auréole koppelt Verlaine de (Duitse) naam van Mathilde aan de bloei van het Karolingische rijk. Hoewel muzikale eenheid in de impressionistische taal van Fauré zich lastig laat vangen, zijn er wel degelijk muzikale elementen die de liederen onderling verbinden. Zo is er thematische verwantschap tussen het slot van dit eerste lied en het vierde lied uit de cyclus.

Vreugde en vertrouwen, gevonden in de liefde spreekt uit Puisque l'aube grandit. De parelende begeleiding van de lyrische woorden verklankt de energie die hierbij loskomt. In contrast daarmee staat het wiegende La lune blanche luit dans les bois, waarin Fauré de verschillende facetten van de liefdesnacht met spannende harmonische verschuivingen belicht.

Zoekend en onzeker is de reiziger in J'allais par des chemins perfides vergezeld door de eveneens zoekende begeleiding in de piano. Het is de liefde die tekst én harmonie in de conclusie naar vaste grond onder de voeten leidt. In J'ai presque peur, en vérité leidt deze stralende liefde tot een energie die alle moeilijkheden en sombere gedachten overwint. Het klavier is hier het door liefde op hol geslagen hart dat de lyrische zanglijn becommentarieert.

In Avant que tu ne t'en ailles speelt Fauré met de vluchtige gedachten bij het ontwaken naast je geliefde in de goudgerande morgenstond. De stralende zon verwarmt in Donc, ce sera par un clair jour d'été de harten van de geliefden en brengt ze in tekst én muziek in pure extase. De invallende avond zorgt voor rust, verkoeling en intimiteit.

Het onzekere levenspad zoals beschreven in N'est-ce pas? leidt tot de zoekende voortgang in het lied. Bij de gedachte aan verbondenheid van de harten flakkert de passie en daarmee het vertrouwen in de toekomst ook muzikaal gezien op.

In het extatische slotlied van de cyclus L'hiver a cessé, klopt de lente, ontsproten uit de liefde, hoorbaar op de deur met het motief van de nachtegaal. Deze lente brengt de energie en kracht om al de komende seizoenen te doorstaan. In de muzikale epiloog van dit lied worden diverse thema’s uit de cyclus nog even in herinnering geroepen.

De liefde van Claude Debussy voor de poëzie van Verlaine zou hem zijn gehele leven vergezellen. Rond 1880 werd hij begeleider in de zangklas van Madame Moreau-Sainti. Daar werd hij verliefd op de veel oudere en gehuwde Madame Vasnier en via haar leerde hij de poëzie van Paul Verlaine kennen, waartoe hij zich sterk aangetrokken voelde. Verlaine op zijn beurt werd geïnspireerd door de schilderijen van Jean-Antoine Watteau en zijn derde dichtbundel Fêtes galantes werd dan ook ontleend aan een schilderij van Watteau. Het zijn gedichten over de liefde in een kunstmatige wereld. Zijn dichterschap blonk niet zozeer uit in diepgaande psychologie, maar vooral in de muzikaliteit van zijn suggestieve taalgebruik.

Claude Debussy bleef zijn leven lang een groot bewonderaar van Verlaine. Hij zette zijn teksten negentien keer op muziek en verklankte ze verfijnd en beeldend. In zijn Fêtes Galantes slaat Debussy een nieuwe weg in door zijn vrije omgang met harmonie en ritme en zijn impressionistische stijl had een grote invloed op componisten na hem.

8 mei 1828 zou een belangrijke dag worden in het leven van Robert Schumann. Op die dag ontmoette de jonge student samen met medestudent Gisbert Rosen één van zijn helden, de dichter Heinrich Heine. Heine, begin dertig rond die tijd, gevierd om zijn romantische poëzie maar evenzeer gevreesd om zijn scherpe maatschappijkritische pen, resideerde toen nog in München. Anders dan waar de studenten voor gewaarschuwd waren bleek de dichter (voor hen) zeer benaderbaar en ook een openlijk bevlogen mens. De fascinatie voor het werk van Heine zou Schumann nooit meer kwijtraken en leidde in het ‘liedjaar’ 1840 onder meer tot Liederkreis op. 24 (eerder tijdens dit festival op het programma) en Dichterliebe. De cyclus Dichterliebe behoort sindsdien onmiskenbaar tot de kern van romantische liedkunst. Schumann heeft bij Heine zelf meerdere pogingen gedaan tot erkenning of waardering van zijn interpretatie van Heines romantische liefdespoëzie, maar die bleef gewild of ongewild uit. De erkenning door liefhebbers van het lied is echter al bijna twee eeuwen onmiskenbaar.

Schumanns cyclus omvatte oorspronkelijk een selectie van twintig gedichten uit Heines Lyrisches Intermezzo. In de versie die uiteindelijk in 1843 in druk verscheen, bleven zestien liederen over, vier zettingen verschenen apart. Een snel veronachtzaamd maar niettemin cruciaal detail is dat Schumann de volgorde van de gekozen liederen veranderde ten opzichte van de volgorde van Heine zelf. Schumann creëerde een interne logica in de cyclus die de oorspronkelijke volgorde in Heines Intermezzibewust niet heeft. Juist door de afwijkende volgorde is een cyclus ontstaan die een coherentie bezit die in de oorspronkelijke volgorde van Heine ontbreekt.

De liederencyclus is door de herschikking door Schumann in vier gelijke groepen onder te verdelen. De liederen I-IV verhalen over de intense liefde, het vervolg over het niet (meer) wederzijdse aspect van die liefde. Liederen IX-XII handelen over pogingen om het verlies van die liefde te (leren) accepteren. De laatste vier handelen uiteindelijk over het onvermogen om het verlies te accepteren en over de ultieme consequentie van dit besef.

Het tragische verloop van het verhaal in de cyclus is wat Schumann betreft overigens niet autobiografisch van aard. Luttele maanden na de voltooiing van Dichterliebe trouwde de componist met zijn grote liefde Clara Wieck.

Robert Andriessen

Stéphane Degout / bariton
Stéphane Degout studeerde af aan het Conservatoire National Supérieur de Musique en was lid van het Atelier Lyrique de l’Opéra in Lyon. Sindsdien is hij te horen in de belangrijkste concertzalen en festivals wereldwijd in uiteenlopende operarollen en als solist. Als liedzanger staat hij bekend om zijn gevoelige interpretaties van het Franse en Duitse repertoire. Inmiddels heeft bijgedragen aan een groot aantal cd’s met concert- en operaopnamen en heeft een aantal solo-cd’s op zijn naam staan.
In 2012 werd hij geridderd vanwege zijn grote bijdrage aan het behoud van de Franse cultureel erfgoed en tot tweemaal toe werd hij gelauwerd als artiest van het jaar.

Alain Planès / piano
Alain Planès debuteerde al op 8-jarige leeftijd op het concertpodium. Hij studeerde achtereenvolgens in Lyon, aan het Conservatoire de Paris en de Indiana University in Bloomington (VS) waar hij les had van onder andere Menahem Pressler en György Sebök. Op verzoek van Pierre Boulez werd hij na zijn terugkeer naar Frankrijk de vaste pianist van het Ensemble InterContemporain.
Planès is een geliefd en veelgevraagd solist en kamermusicus met een grote voorliefde voor historische instrumenten en een uitgebreide discografie. In 2021 bracht hij een cd uit met Nocturnes van Chopin, gespeeld op een Pleyel uit 1836, die bijzonder goed werd ontvangen.

locatie
Grote kerkzaal / Zusterplein 12 / 3703 CB Zeist

Degouts voordracht was vrij van effectbejag en benadrukte de lyriek. Zijn kracht schuilt in een messcherpe dynamische accentuering van de tekst en een overweldigende stempracht, door Planès weelderig ondersteund. De talenten van beide vertolkers vielen grandioos samen.

~ Martin Toet (Place de l’Opera)

Delen met anderen